hemzelf een groot fortuin gelaten, met jaren harden plantersarbeid in Indië verdiend. Rudi was daar in Indië geboren en op z'n twaalfde jaar naar Holland gekomen. Hij had nog flauwe, vage voorstellingen van daar geziene landschappen, van bruisende rivieren tusschen dichte ravijnen, van een klein palmbosch vlak bij hun huis tegen den heuvel, waar hij, in een wit-linnen pakje had gespeeld met een Javaanschen jongen, die enkel een rood baadje droeg. Hij herinnerde zich nog goed de reis naar Holland — hij en z'n zusje met een bevriende familie mee, en wist nog dat hij toen een plotseling verlangen naar het enkel uit de verte geziene eiland Ceylon had gehad, verlangen, dat hem de heele reis niet meer had losgelaten. Nog kon hij het voor zich roepen, het schouwspel van die in het blinkend-blauw der golven verzinkende groen-glooiende heuvelkust en het was een zijner liefste wenschen dat eiland nog eens te mogen betreden. Hij bezat een vaardige fantasie, niet diep en sterk genoeg om hem tot dichter te maken, maar die hem toch altijd ver boven het platte leven, het streven naar belang, het haken naar bezit, had geheven gehouden.
Van Indië wist hij ook nog, scherpste en duidelijkste zijner herinneringen, den dag van een kinderfeest in de stad, die aan den voet van den heuvel lag. Hij was daarheen geweest met zijn moeder en zijn zusje, op zijn elfde jaar. Er waren veel wit-gekleede kinderen geweest, veel bloemen en lamplicht in den avond onder de pendoppo en in de galerijen, en daar had hem een dame — dacht hij toen, maar het moest een meisje van zeventien, achttien jaar zijn geweest — plotseling op haar schoot getrokken en op zijn mond gekust.
Het had hem even gestreeld en daarna met diepen weerzin vervuld. De weerzin was gebleven en nooit had hij er zijn moeder, die hij in die jaren alles vertelde, over gesproken. Zoo was in zijn herinnering
'295