vendien meende, dat hij nog niet doorgrond had, leek haar een weinig waardevol bezit.
Ze kwam nog een enkele maal bij hem, nu en dan, niet dikwijls. Rudi moedigde het niet aan, zij zocht het niet. Ze schuwde het te groote geluk, omdat haar ziel naar leed was gegroeid, leed te dragen had geleerd en haast afkeerig bleek van de ontwende, al te groote vreugde.
Alles moest er niet ineens wezen; ze voelde, dat ze langzaam-aan gewennen moest, stap voor stap moest ze leeren beseffen, dat het leven vele vreugden bevatte, en dat van die vreugden ook was voor haar.
Toen het voorjaar kwam, maakten ze zich het samen-wandelen tot een gewoonte, al-gauw dagelijks en voor beiden onmisbaar.
XL VI
Sinds enkele weken woonde Daniël tezamen behalve met z'n oude vrienden Hein Bonten, en Dries Bie-ker, die als hij rechten studeerde, met Maarten Verrijn, vierde-jaars medicus, een neef van Hein Bonten, wiens vader op een buiten bij Utrecht woonde, en die daar ook had gestudeerd, maar er om een duel-zaak, waarvan niemand het rechte wist, was vandaan getrokken en naar Amsterdam toe. Voor dien tijd was hij maanden lang ernstig zenuwziek geweest en de dokter, hem het voortdurend alleenzijn ontradend, had hem het samenwonen met vrienden in zijn nieuwe woonplaats aanbevolen.
Toen had Maarten zich herinnerd, dat hij in Amsterdam nog een neef-student had, die in een afgelegen straat aan den Amstelkant woonde met vrienden. Hij had geschreven, de brief was ontvangen juist op het oogenblik dat een van het viertal vertrok en zijn kamer leegliet, en Hein, hoewel z'n neef
'277