selijke van het eene en het afgrijselijke van het andere, het voordeel hier en het voordeel daar, tegen elkaar op.
Tot ze, haar blik omwendend, ineenen een jongen man in de oogen keek, die haar — ze voelde het onmiddellijk — al eenige oogenblikken moest hebben zitten aanzien. Ze voelde zich gloeiend blozen, haar hart fel opbonzen. Ze keerde zich af en keek niet meer naar den jongen — een bleeken, fijnen jongen — om.
Maar plotseling wist ze het en als een verlossende vreugde sloeg het weten door haar heen, dat er nog een andere weg was, een keus buiten het gevreesde teruggaan en het gehate blijven, een middel om van Van Gulik af te komen, waarbij zij en zij alleen, alles winnen zou.
XXXV
Ze had, zonder een seconde nadenken, zonder weifeling, onmiddellijk begrepen, wat de blik van dien jongen man beteekende, en op dat oogenblik was er iets in haar veranderd. Ze voelde geen vrees en geen schichtigheid meer, geen hulpeloosheid en beklemming als ze aan de toekomst dacht. Ze wist ineens, dat ze iets had, iets bezat, dat groote waarde in zich sloot, waarvan ze gebruik zou kunnen maken, dat haar omhoog zou brengen in de wereld, en die zekerheid gaf haar een gevoel van zelfvertrouwen, van overwicht jegens Van Gulik. Haar schuchterheid week, ze werd brutaal tegen den ouden man, tyran-niseerde hem in lachenden overmoed. Z'n ingevallen mond, z'n gebogen gaan, z'n moeilijk stappen in rijtuig of auto, z'n kreunend trappenklimmen, al het vervallene, het gebrekkige, het afgetakelde aan hem, ze zag het nu met een lachende wreedheid, zonder
De Verlatene 8
209