ze rookten zwaar uit lange steenen pijpen. Daniël rookte niet, hij zat meer achter in de kamer bij de met een dofbruin kleed overspreide vierkante tafel en bladerde in een paar boeken. Z'n vingers beefden koortsig over de bladen, z'n hoofd gloeide,• alles wat in die boeken stond en in dat stapeltje andere dat daar naast hem lag, moest hij leeren, voor hij het staatsexamen zou kunnen doen! Hoe begeerde hij ze te begrijpen, nu al, te kunnen lezen die bladzijden nog onbegrepen Latijn, te kunnen ontcijferen die vreemde Grieksche letters en hun schoonen zin te ontraadselen. Zóó verdiepte hij zich in z'n verlangen, dat hij de aanwezigheid der anderen vergat, en opschrok toen Hein Bonten hem wat vroeg. Zoodat die zijn vraag moest herhalen.
״Ga je straks met ons eten?" En hij lachte erachter. ,,'t Is heelemaal geen royale invitatie hoor, we eten gewoonlijk in de gaarkeuken."
״Bij ״Riche"," verbeterde de ander, droog-komie-kerig. Hein lachte.
״Nou ja, dat wou 'k zoo niet zeggen, hij moest eris denken dat 't waar was!"
Ze rookten weer. Hein Bonten bij 't eene raam en bij 't andere, languit in een wrakken fauteuil, Dries Bieker, zijn vriend. En geen van beiden letten nog op Daan of drongen aan op antwoord, 't Sprak vanzelf immers, dat hij mee ging eten met hen.
Dries was een paar jaar ouder dan Hein, maar later aangekomen en dus evenals hij, tweedejaarsstudent. Hij zat voor z'n candidaats klassieke letteren en had beloofd Daan les te geven voor 't staatsexamen. Zoo verviel voor den jongen de noodzaak van het zelf-lesgeven en kon hij al zijn tijd aan de eigen studie besteden. Ze zouden niet wachten tot hij zijn eindexamen had gedaan en een paar uur per week konden er al wel bij.
Hij zat weer gebogen over de boeken, maar hij las
116