Amsterdam iedereen de Pan, zie je — en hij had in een groot café op 't Rembrandtplein gezeten, waar ze muziek maakten. Vader vroeg met wie hij daar gezeten had.
Met wie? Met vrindjes van het magazijn, met Japie Gousmit en met Sam Herschel en met David Kapper. En moeder vroeg of dat allemaal wel fatsoenlijke jongens waren. Daarom lachte Jozef luid en manne-lijk-beschermend, óók gevleid, omdat moeder toch veronderstelde, dat hij ook wel met onfatsoenlijke jongens zou durven omgaan. Hij had al genoeg gehoord van wat er in Amsterdam te koop was.....
nou.... Maar daar ging-ie thuis niet over praten, hij zou wel oppassen!
Ook wist-ie veel gijntjes, Jodengijntjes, waarom vader lachte en die Jozef goedig en geduldig, daarna zijn moeder en zusjes nog eens uitlei. Waar haalde-die ze allemaal vandaan? Wist-ie veel! Van 't magazijn, hé, wat deê je den heelen dag al niet, wat verzon je al niet, als 't stil was!
Kreeg-ie genoeg te eten, genoeg brood op 't magazijn, genoeg middagkost bij z'n huismenschen? Zat en best! Wou moeder weten, wat-ie gisteren had gehad? Moest-ze toehooren: soep had-ie gehad, en kouwe
rollade had-ie gehad met aardappelen.___enne.____
nou, was 't best of niet? De moeder knikte hem glimlachend toe. Die was tenminste bezorgd, die zou wel zorgen, dat-ie vooruitkwam in de wereld.
En terwijl vader in z'n rieten stoel zoetjes aan indutte en Jozef den kinderen spelletjes leerde met lucifershoutjes, bleef ze na-peinzend in de lamp turen. Ze wisten geen van allen, hoé zwak ze was.... Ze voelde tranen in haar oogen komen, ze keek naar haar kinderen een-voor-een.
Jozef was uit huis, Jozef was bezorgd, hij was een beste, zachte jongen, hij zou 't wel altijd goed kunnen vinden met zijn vader — wat hadden ze daar straks
101