״Je meent die wollen japón, die ik al maanden niet meer heb, waarvan ik je toen gevraagd heb of je goedvondt dat ik ze weggaf?"
Hij haalde de schouders op.
״Mensch, doe nu weer niet dadelijk tragisch om een japon."
״Niet om een japon —, maar omdat je voor elk vaasje en elk prentje meer aandacht hebt dan voor mij —, omdat je wel kijkt naar mijn mantel die bij ongeluk over een stoel hangt, maar niet naar wat ik draag en hoe ik er uit zie en niet naar wat ik doe."
״Ik zal in het vervolg met een kaarsje en een vergrootglas naar je kijken en noteeren wat Haar-edele gelieft aan te trekken. Goed? Is dat nu uit te houden Geert? En zoo is het tegenwoordig alle dagen. Den eenen keer omdat ik in slaap val over de tweederangs-wijsheid van meneer Ruskin — ik hou nu eenmaal niet van Zondagsschool-litteratuur — en den anderen keer omdat ik iets had vergeten dat ze mij juist den vorigen dag had verteld. Ze geeft mij den eenen dag boeken, waar ik niet om vraag, om mij te hervormen, en is den anderen dag, zooals vandaag, boos om een japonnetje, dat ze niet krijgt."
Ina klemde de lippen opeen, haar vingers plukten het broodje naast haar bord tot kruim uiteen.
״Hij liegt het, Geerte. Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, maar hij liegt wel vaker —, hij liegt eigenlijk altijd."
״Dat is niet waar, Ina, daar ken ik hem te goed voor," riep Geerte verontwaardigd; Egbert vergenoegde zich met een gelaten schouderophalen.
״Ik meen het niet in den platten zin —׳, ik beweer niet dat hij mij opzettelijk bedriegt, ik meen het, zooals ik mij voorstel dat Schopenhauer het gemeend moet hebben, toen hij van de vrouwen zei, dat ze altijd liegen —, dat hij geen onderscheid voelt tusschen waarheid en leugen, omdat hij over het wezen van ״waarheid" eenvoudig niet nadenkt, ontkent op een gegeven oogenblik, wat hij vijf minuten tevoren beweerd heeft —, omdat hij de portée van zijn eigen woorden niet voelt, en dat is het wat ik liegen noem. Anders niet."
״Ik kan het er anders mee stellen, vind je niet?" vroeg Egbert, achteloos-lachend tot Geerte gewend.
״Ze is overspannen," vond die, ״ze zou eens een poos naar buiten moeten. De mooie dagen komen nu aan. Verleden jaar zomer heb ik een heele poos bij oude boeren-iuitjes in een klein huisje gewoond, ergens in Utrecht, waar niet veel menschen komen. Het is er hei en bosch, ook wat
86