haar nederlaag en werd weer rustig. Ze had niet durven verwachten, dat tusschen haar en Egbert alles zich zoo gauw zou effenen en herstellen. Ze voelde zich dankbaar voor zijn vergevens gezindheid en vergat de schimpende woorden, waartegen ze zich den dag na het feest — hoe schuldig en verslagen zij zich ook voelde, — heftig-schreiend had verzet. Ze kon het niet aanhooren, ״niet beter dan een gemeene meid" te worden genoemd —, en Egberts herhaalde treiterende verzekering dat haar zoogenaamde vriend den heelen avond de spot met haar had gedreven, deed haar kreunen van afgrijzen en pijn. Het was te erg voor haar trots —, ze wilde er niet in gelooven, ze wilde er niet van hooren. Maar het bitterst van alles had het Egbert blijkbaar gegriefd, dat ze hem dién avond had ״verwaarloosd" en daarmee belachelijk gemaakt tegenover de Ruyssenaers en al die andere vreemden —, en dat verwijt voelde ze als rechtmatig. Na een week werd er niet meer over gesproken, maar de schaamte bleef haar drukken, vrees voor wondende woorden hield haar schichtig en ze durfde van uitgaan en feestvieren niet meer reppen. Charley Ruyssenaers had nooit meer iets van zich laten hooren, ze gaf er zich in menig vaal namiddaguur met bitter leedwezen rekenschap van —, ze had zich dien avond zooveel van die spontaan verworven vriendschap voorgesteld. Schaamte en berouw gloeiden in haar op, als ze aan haar en haar man dacht en dan vroeg ze zich af, waarom Charley kon schertsen met al haar vrienden, luider en losser dan zij, en toch geëerbiedigd blijven. De jongen van dien avond hoorde niet tot Charley's kring, kende haar maar vluchtig, en toch had hij over haar gesproken met eerbied en schroom als over een meerdere —, en tot haar loszinnig en achteloos, als was ze een geringe, gemakkelijke vrouw. Van waar dat verschil ? Was het misschien omdat hij voelde, omdat ze allen voelden, dat Charley hen niet noodig had en zij wèl, dat Charley dus sterk was, en zij zwak door haar bittere nooden en dat zij nu onbewust wreedaardiglijk haar zochten te kwellen als kinderen een hulpeloos dier?
Mocht ze zich daarover en over zooveel anders dat haar bewoog maar eens uitspreken bij Charley —, maar Charley verachtte haar en bleef weg, en Geerte en Nesje Waldorp, niemand wilde iets van haar weten. Was ze dan niet inderdaad verachtelijk? Vaak twijfelde ze aan zichzelf en die twijfel hield haar klein.
Den winter door leefde ze rustig thuis bij Egbert en het
76