gesproken had... 'helemaal niet redelijk'... klonk in haar na, wekte een halftoornig medelijden in haar op. De stumperds! Want hij was de enige niet. Andere namen kwamen in haar op, andere gezichten verschenen voor haar ogen. Ze wist het zo goed, hoe ze sprekend en schrijvend smaalden op 'koud intellectualisme' dat, het leven analyserend, het leven ontluistert en van zijn 'schoonheid', de mensen van hun 'idealen' berooft-, omdat ze zelf zelfs niet bij machte waren het scheppende Begrip, dat Licht der Wereld, te onderscheiden van die platte, nuchtere onbewogen gevoelloosheid, welke zich zo gaarne tooit met de naam van 'gezond verstand'. En hogelijk prezen ze dan hun zogeheten intuïtie, als was die hele 'intuïtie' iets anders dan onvoldragen, onvolgroeid, embryonaal Begrip. Zou het ooit in ze opkomen het stamelen van een kind schoon te prijzen boven de rijpe taal van de rijpe dichter-, of het naakte, rauwe grondmotief boven de naar alle zijden bloeiende, voltooide symfonie, of het vruchtbeginsel boven de voldragen vrucht? Van nature behoorden zij, de besten onder hen, tot die middensoort tussen 'wijzen' en 'dwazen', waarover Diotima met Socrates spreekt—, niet geheel 'dwaas' omdat hun half-bewuste uitingen soms waarheid en werkelijkheid bevatten, niet geheel 'wijs' omdat ze van wat ze zeggen, nooit in redelijkheid kunnen rekenschap geven -, doch omdat hun onmacht, hun onvermogen tot het Begrip niet reikte, hun zwakke oog die klaarten niet verdroeg, hun weke brein tegen de gestadige strijd van de gestadige zelfkritiek, de gestadige zelfweerlegging niet was opgewassen, daarom maakten ze zich tot de lasteraars van het hoogste en heetten de Goddelijke Rede 'dor intellectualisme', dat het leven van zijn 'schoonheid', de mens van zijn 'idealisme' berooft. En welk 'idealisme', welke schoonheid! De illusies van stumperds, die de grootheid missen zich over te geven, de kracht om zich te verliezen in het al-ene Al, en daarom hangen aan een 'hiernamaals', en hunkeren naar een 'voortbestaan', naar de vereeuwiging van hun eigen nietigheid, van hun eigen ontoereikendheid, van hun eigen stumperigheid, zich blindelings tevreden stellen ook met het onaannemelijke en het tegenstrijdige, ook met het onsamenhangende en het absurde, als het maar de vervulling van hun
98