VIII.
OCH schreef hij weer, deels omdat hij wilde en deels omdat hij wel vond dat hij moest, hij schreef de eerste veertien dagen wekelijks eenmaal, en de weken daarna telkens zelfs tweemaal en bemerkte dat hij in het schrijven van die brieven een klimmend behagen vond, dat het zijn dagen vulde. Ook hield het volgen van de booten, die zijn brieven naar Holland voerden zijn gedachten daarna weer bezig. En toen haar volgende brief kwam, kalmer afgewacht nu, maakte het ontvangen daarvan hem ook wel gelukkig, zij het zonder al te groote opgetogenheid. Hij bevond ook, de beide brieven vergelijkend, dat de toon van den tweeden hartelijker was, spontaner en vroolijker, in den vijfden zat zelfs een portret, dat hij haar juist had gevraagd in een brief, dien ze echter nog niet ontvangen kon hebben. Met een zekere vreugde bemerkte hij, dat hun gedachten elkaar gekruist hadden.
Het portret zelfs was wel eenigszins, zooals hij zich had voorgesteld; ze was eigenlijk nog dezelfde als voor twaalf jaren, in rust, dat wist hij, was Truusjes gezicht vrij gewoon, de heldere oogenglans, de frissche kleur, vooral de eerlijke, onbevangen uitdrukking waren er de groote bekoorlijkheden van.
T
96