om voor 't hoofd slaan! Aap van een jongen, die hij was geweest! O, wat konden menschen afschuwelijk handelen, en niet de jeugd alleen, ook ouderen in hun malle zelfoverschatting, in hun malle overschatting van wat zoogenaamde ״artisticiteit", van wat oppervlakkige ontwikkeling en beschaving, in 't mal neerzien op anderen, op eenvoudige, goedaardige naturen, die niet aan „stemmingen" deden.
En wat waren ze zelf? Die Jeanne, met haar „fout"... „fout"... met haar „stemmingen", met haar overgevoeligheid; om gekibbel bij 't verdeelen van een erfenisje, leefde ze in onmin met haar zusters. Hij wist trouwens nu nog, hoe hij eenmaal, schuchter, iemand dien zij „banaal" vond had verdedigd en geprezen om zijn goedhartigheid en hoe ze hem met haar schellen lach toen had gehoond. Een lammeling was hij geweest, om zoo altijd maar zijn gevoelens en meeningen dadelijk prijs te geven, altijd zich te laten overbluffen, maar wat kon een verliefde jonge jongen tegen een vrouw?
En trouwens, de meeste menschen waren zoo. Later had hij nooit meer van Truusje gehoord en haar zelfs niet geschreven toen hij naar Indië vertrok.
Wonderlijk genoeg, dat ze niet was getrouwd, ze zag er aardig uit indertijd, en in die onderwijzerswereld, op zoo'n
.73