Daar, daar aan dek... twee meisjes... vlak bijeen ... elkaar gelijkend. Eén lang en rank, vooraan, scherp kijkend, de kin geheven... er vlak achter een ander, kleiner, voller, onrustig wiebelend om achter de eerste langs te komen.
Hij wist het dadelijk... zij stond daar... zij was een van die twee..., maar wat hij niet wist, wat hij niet wist... wie van die twee Truusje was, wie van die twee zijn vrouw was .. .
En 't beet hem heet in 't hoofd: hier ben ik, gekomen om mijn vrouw te halen, en het eerste oogenblik is dit, dat ik haar niet herken.
En toen, zijn oogen scherp borend opslaand naar die twee op het schip dat nu aanlei, zijn ziel onbewaakt, wenschte hij, voordat hij het zichzelf beletten kon ... wenschte hij het, minder dan een seconde lang, maar hij had het toch gewenscht... dat van die twee, die elkaar geleken op 't eerste zien, die voorste, die ranke, Truusje wezen zou ...
Doch een tweede blik schonk hem zekerheid.
Het was de andere.
.122