voor hem, hoe het zich schurend warde in haar nekhaartjes, doch snel onttrok hij zich weer aan de afleiding en liet gretig zoekend zijn blik den horizon afweiden.
Daar kwam het schip, daar kwam het statig en als zelfbewust, met vlaggen in top, nu nader ... nader ... en niemand in hun groep zag nu den ander meer, en elkeen stond stokstijf stil met open mond... elk gansch alleen met zijn eigen verwachting, aan die der anderen vreemd... maar alle blikken te zamen trokken, trokken over de rimpellooze, gladde zee, het sterke schip naderbij als aan gespannen koorden.
't Naderde, 't gaf zijn breede baan van opgewoeld water en schuim reeds duidelijk te zien, 't stootte, ten groet, korte stooten van zijn stoeren schoorsteen uit...
Aan dek hoopten demenschen tezamen... kijkers kwamen uit... mijn God, dacht Feenstra in een plotselinge verslagenheiddat hij nu geen kijker had meegebracht... 't ging toch niet aan, een ander den zijne af te leenen.
't Hoefde al niet. 't Oogenblik was er. 't Oogenblik is er nu, — zei hij zich nog, zonder dat hij 't wist de handen ineen-klampend, 't oogenblik is er nu, — zei hij zich nog weer ... en snoerde zich te zamen, om oplettend te zijn, om niet in de beslissende seconde uiteen te vallen. Waar was ze nu ?
.121