vanavond voor het geheel duister was ... zou 't al voorbij wezen ... morgenochtend, als hier weer, na den stillen, bleeken maanlichtnacht, het kleurig woelen, het verwarde roepen, het scherpe geuren aan den gang zou zijn gelijk nu ... dan ... dan had zijn leven voorgoed een andere wending genomen.
Dat eerste oogenblik!
Hoe duurden de uren.
Hij wilde nu naar zijn hotel gaan, in de groote zaal deelnemen aan de rijsttafelceremonie, had hij bijna gezegd, want daar geleek het naar, wist hij van vroeger, in dit wereldreis-toeristen-hotel, op een ceremonie, het harmonisch-wiegelend opvolgen der stille, fijne bedienden, de schotels hoog boven hun peinzende oogen, in soepelen, onhoorbaren stoet van meer dan tien, wel twaalf, wel bijna twintig, bochtend van gast tot gast, de lange tafel langs, elkeen geduldig keusgevend uit de overdadige weelde van veelzijdig bereide rijst en vreemde gerechten.
Ja, 't zou den dag korten, zoo hij wat eten en vooral, zoo hij zijn gedachten even op het omringende, op het oogenblik zelf overstellen kon. Dan daarna in de drukkende stilte van tropischen namiddag alleen op bed, zou vanzelf het zich in zichzelf aldoor verliezende peinzen wel weer komen.
.118