vrouw ? Hij sloot de oogen. Hij had haar gekust en gearmd met haar omgedwaald, in zoeten schemer, onder bloeiende, weekrui-schende lindeboomen, langs stille grachtjes, waar 't laatste licht in droomerige spiegeling vergleed, onder de hooge klokketoren, die wachter trouw en sterk... ze waren, goddank, geen vreemden meer ... ze hadden, beiden in hun laatste brieven, dat verleden beroerd, die kussen herdacht, o ja, ze waren verloofd, ze waren verloofd, — stelde hij zich nu nog een terugtreden voor dan voelde hijzelf daarvan het onmogelijke, het onherroepelijke van wat hij had gedaan.
En het was immers goed, hij wilde het en had geen spijt,.. toch was het woord nog niet gesproken.
Wilde hij haar tot vrouw ? Kon hij zich het samenleven met haar denken? Was het toch niet beter, nu nog enkele jaren meer te wachten, nu hij al zoo lang gewacht had en elkander vooral te leeren kennen ? Maar de gedachte aan lang wachten maakte hem opstandig... en dat ongeduld-zelf schonk hem het streelende gevoel, dat hij toch wel echt verliefd was ...
Het grint knerpte, langzaam reed de wagen voor, de bruine blootvoetige jongen klom de trapjes op, wilde wat zeggen, maar hield zich in, denkend dat zijn meester sliep.
.104