de spiegel zien vliegen, zo, nu... daar komen ze... haar groene jurk, zijn zwarte kousen... ja, de jurk is wel heel wijd en heel lang... en wat zo vervelend aldoor slaat tegen haar ene been, dat merkt ze nu, dat is die scheve punt aan de linkerkant, die hebben ze bij het passen geen van drieën ontdekt, Moeder niet, juffrouw Content niet, zij zelf niet... en ze waarschuwden elkaar toch nog zó: pas vooral op dat er geen punten in vallen! Die punt maakt hem zeker ook zo zwaar aan die kant.
Dat klossen, dat hijgen, dat zweten, stribbelen tegen de maat en wisselen van benen... hoe het haar allemaal vermoeit... ze kan bijna niet meer voort. Rap stappen de anderen, door de vlugge muziek gedragen, meegenomen... ze kijken nu niet eens meer om. Zo moest het immers wezen... zij met de Margarine-jongen.
En o... allemaal kennen ze hem toch... zijn misselijke, lage lafhartigheid... allemaal weten ze toch dat hij zich laat slepen over de stenen en dan nog trakteert... en dat zijn vader en zijn oom als dronkelappen achter de Waag hebben gezeten en dat zijn moeder de klanten bedroog met het paardevlees en dat ze nu eindelijk met vuiligheid, met margarine rijk geworden zijn... En wie zou tegenover al dat grove en schandelijke en walgelijke iets anders dan goeds en eerlijks en braafs en fatsoenlijks van Vader en Moeder vertellen kunnen? En mijnheer Boutelje weet behalve dat nog meer, hij weet dat ze een volle achterkleindochter van Rebbe Heele Arjei is! En toch hebben
159