lompheid... zij zijn bijna bij haar, de onderzoekende ogen... maar o, wat is dat vreselijk... bij de lege stoel hielden ze op en keren nu vlug de rij langs terugzij hebben haar afgezonderd... uitgezonderd— Wat moet ze toch doen ?
'Om het de jongelui nu gemakkelijk te maken en prettig te maken, stellen we ons maar dadelijk voor dat we op een bal zijn en dat het bal beginnen gaat, en dat...'
'Ha! Ja mijnheer... o ja mijnheer... leuk mijnheer!' Hij was nog niet eens met spreken klaar! Ze vielen hem zo maar lompweg in de rede. En hij lacht... hij wacht... tikt nu zachtjes met de strijkstok tegen de piano.
'Geef ik een teken, dan staan alle heren op en begeven zich naar de dames en vragen elk een dame ten dans. De buiging waarmee dat eigenlijk vergezelt behoort te gaan, leren we later. Het lopen gaat voor, en op de maat van de muziek leren we lopen, zoals het hoort, door de kamer.'
Hij keert zich om en begint zijn viool te stemmen. En nu vangt ineens, van de jongensrij naar de meisjesrij en van de meisjesrij terug, een heen-en-weergevlieg aan van lachjes en tekens en fluisteringetjes en heimelijk vinger-ge wijs. Ik eerst met jou? Nee, zij met mij. Of hij liever met haar? Goed, en dan jij met hem.
Lachend kijkt mijnheer Boutelje het aan over de dunne, roodbruine viool, die hij naar zijn kin heeft getild en fijntjes betokkelt met de nagel.
154