poort. Je kunt cloor die poort van de school niets zien, enkel de zwart en witte onderhelften van de oude bomen op het plein. De sneeuw ziet eruit of er een verschrikkelijk hondengevecht in gehouden is, naar alle kahten verrubbeld en verstoven, de doffe oudere sneeuw is in gladde plakken uit de losse, glinsterende nieuwe bloot gewoeld. De glijbaantjes glimmen als verborgen watertjes. Al meer, al sneller achtereen springen lichtvakken in de huizenrij op, ook bij de zuinigsten moet nu de lamp wel aan, goudgloed vloeit uit over de sneeuw en wordt weer weggeschept: de gordijnen gaan dicht.
Tussen de witte aarde en de zwarte hemel zingt de wind in de bomen aldoor, aldoor hetzelfde lied. De bomen zijn wit als de aarde en zwart als de hemel... het lied zucht grommig en somber de donkere ruimten door. Vind je het wel zo grommig, zo somber? Hoor je er niet een zachte, zwakke metaaldreun in, als uit een smederij? En merk je zelfs niet iets als stemmen, als het deinende zingen van een psalm, heel diep, van heel ver... bijvoorbeeld van helemaal ginds uit de Lutherse kerk? Ja, misschien... ja, je hebt gelijk... maar vind je dat het daardoor vrolijker wordt? Neen... daar heb jij weer gelijk in... het geeft er eerder iets bangs, iets griezeligs aan... alsof er mensenstemmen in die wind begraven lagen. 'Ga je even mee naar juffrouw Nolle?' Naar die uitverkoop? Naar dat wij venboeltje? Hij zal zeker mal zijn, hij gaat naar huis, zijn huiswerk maken, zijn brood eten, je moet maar niet even werken
122