véél... maar hij wist het, herinnerde zich het huis... en de meid had hij gezegd, hoe ze lopen moesten...
"t Was een Duitse meid, meegekomen met die mensen naar Rusland... een Christenmeid maar met een goed hart... een heel goed hart. Honger had ze geleden voor die kinderen, half-dood zich gesjouwd met 't kleintje.
Overdag sliepen ze, huilde het kind, dan hield ze 't stil... 's Nachts liepen ze, liepen voort in donker, de meid en de twee kinderen... en zo kwamen ze bij ons terecht ...
We hielden ze bij ons, natuurlijk hielden we ze bij ons... Maar alle dagen zei m'n vrouw... er komt ongeluk van... er komt neweire van, en als we 's avonds de wind hoorden, praatte ze nog meer van de soldaten, almaar de soldaten, dat de kinderen haar de hand voor de mond hielden... Nog zwaarder grendelden we de deuren af, voor we slapen gingen. En... néé... néé... 's nachts is er ook niets gebeurd. Wat er gebeurd is, weet ik nóg niet. Hoe ze er achter zijn gekomen...
Maar op een middag... klaarlichte dag... stond er zó'n troep voor de deur en schreeuwde om de meid... en om de kinderen, 't Kleine ding lag rustig te slapen... en 't jongetje, zo'n stil, slim kereltje, keek plaatjes met mijn twee jongens en met de onderwijzer... Mijn dochtertje stond voor 't raam... zij zag ze 't eerst... "Grendel de deur, vader!" riep ze. 't Hielp me niet. De Christenmeid gilde... we moesten haar niet de deur uitgooien... om de kinderen had ze 't gedaan, om de kinderen te redden... Mijn vrouw zat stil op haar stoel, in 'n hoek, en zó blééf ze ook zitten, wat we zeiden. Buiten begonnen ze te beuken op de deur... voor de ramen hadden we tralies... als wilde beesten gingen ze tekeer. We hebben messen gepakt en stoelen en alles. We hebben tafels en kasten gesleept voor de deur. Wat gaf 't? Ze zijn toch binnengekomen, de kamer in, de hele troep...
Met stokken en messen sloegen ze. Zoals ik zeg... m'n vrouw zat op haar stoel... bewoog zich niet... en zo hebben ze haar vermoord... Maar eigenlijk hadden ze 't voorzien op de vreemde meid... en op de vreemde kinderen. .. Waarom die juist? D'r moeten kerels bijge-weest zijn van 't andere dorp... 'k weet niet beter... De
149