listig loerend, trachtte ze die, ongezien, op te beuren, stevig trekkend met twee handen aan de tak, die zwaar bedolven lag onder nattig-samengepropte vracht van bladeren en takjes. Langzaampjes, almaar beloerend 't kinder-gewoel, beurde ze 'm de hoogte in, 't kleine hoofdje flitssnel plannend om, zó als ze 'm had, met haar lenige lijfje ongemerkt weg te glippen. Joop zou 'm dan voor haar schillen, tot een grote gladde stok, prachtige zweep voor paardjesspel. Maar een lange meid, met wijdopen mond en fladderend vuurrood haar aan 't dansen in een kring met anderen, wild klomp-springend in de blader-hoop, zag haar dadelijk.
'Nou kijk eris, nou kijk eris,' riep ze, 'die Jodenmeid met zo'n prèchtige tak. Geef óp, smous, smerige dief.'
'Nee,' snauwde Saar, moedig, nu ze de tak had, en stevig aanklemmend, 'je krijgt 'm niet. 't Is mijn tak. Je hebt er allang genoeg, 'k Neem 'm mee voor me broertje.'
Slungel met breed, sproetig gezicht en warrige haarbos, slenterde, voetstappend, boers-schouder-schok-kend, handen in de zakken, op haar toe en vlak bij bleef hij staan, zei, ogen minachtend op haar:
'Neergooien, hè!'
'Nee,' nerveus-hikte Saar weer, "k doè 't niet...' Koppig klemde ze de tak. 't Fijne mondje beefde en in haar ogen gloeide het van komende tranen.
Vrees voelde ze, dat die tranen te zien zouden komen, dan zou ze nog meer bespot en machteloos meteen zijn. Machinaal lippen-prevelend zei ze haar eigen gedachten na... niet huilen... niet huilen...
Joelend en schaterend dicht omringden ze, speels duwend, Saar en de grote jongen; zij, opkijkend naar hem met verdonkerde, felle ogen en hij breedlachend met witte tanden. Belust op vechtjool hitsten ze, handenvol gescheurd en nattig blad grijpend en ze haar gooiend over 't hoofd, dat ze kleefden in 't ruigkrullige, goudbruine haar. Meisjes, afgebroken-neuriënd onder 't bewegen, huppelden hoog op de voetpunten om het kind heen, sarrend gezichten trekkend.
'Nou, zeg,' ruw-gebood de sproetige slungel, 'góoi je 'n 'm nou neèr of niet...'
134