re, die te vol-liep. De juffrouw ook. Innemend grootmoedertje had haar toegefluisterd, in ouwe-vrouwtjes-ernst, aandoenlijk en naïef voorbijziend de leeftijd van de kleuters... 'ze is z'n bruidje... later gaan ze trouwen.' Dat 'bruidje' had 't wat sentimentele onderwijzeresje getroffen. Want zelf was ze verloofd en ze droomde zich wel vaak 'bruidje' met bloesem en sneeuwblanke sluier.
Markie en Saartje waren vrijertje en vrijstertje zonder dat een van de andere kinderen op hun 'verhouding' ooit 'n ruwheid gezegd of erom gegrinnikt had. Véél werd er, vooral onder de groteren, 'gevrijd' niet altijd even onschuldig, soms gebeurden er dingen, die alleen te begrijpen waren als je 't kende, dat leven met z'n allen op een kamer, zonder pudeur, zonder terughouding in woorden en doen. Maar altijd ook stonden de schoolmuren vol met tekeningen en verhalen van Jan die met Truus en Flippie die met Neeltje 'vree', werden de helden meedogenloos bespot, 't Leven is in die vaak ziekelijke lichaampjes, oud in droefenis, te vroeg gerijpt, vroeger, dan 't verstand komt, 't verstand en de zelfbeheersing, die breidelen.
Doch 't kuise amoeretje van de twee Jodenkindertjes scheen, onbewust, ze te hebben geïmponeerd, of ze aanvoelden 't fijne, 't tere, 't lief-schuchtere daarin...
Ze waren héél zoet in de klas maar lang niet vlug. Hun-best-doend spanden ze zich heel erg in, kleine dreumes-sen in de lage bankjes, handjes gevouwen op de plank, soms 't jongetje z'n vrijstertje bij de hand houdend, die twee kleine handekens dan zoetjes rustend tussen hen in.
Saartje wist, dat ze z'n bruidje was. Grootmoeder had 't gezegd. Ze was haast altijd bij Grootmoeder, die ze ook zo noemde, in huis, want haar vader liep de hele dag achter de kar bij de weg en 'n moeder had ze niet meer.
Markie wél, maar z'n ouders woonden buiten, met veel broertjes en zusjes, die allemaal brood en kleren vroegen. Daarom had goedige grootmoeder, al was 't krapjes ook bij haar, 't doezige ventje bij zich genomen.
In de vakantie ging Markie naar huis. Maar prettig vond hij 't daar niet. De lucht, sterk en zuiver, bedwelmde hem en vermoeide zijn in 't triestige, altijd zurende en
124