en daar moeten we op vertrouwen.'
'Zou-die op alle mense passé?'
'Op alle Jöde,' verbeterde 't kereltje, eigenwijs.
'Zou-die nou buite lope... zo maar alleen?'
'Hij is niet bang,' zei 't broertje.
Hun stemmetjes waren gedaald tot sidderend gefluister en uit de donkere, warme bedstee keken hun ogen, groot, nerveus, de kamer in. Buiten rommel-ruiste de wind. En de jongen zag de donkere straat, met de slapende huizen en de zwarte, hoge, waaiende bomen... en hij rilde.
'Is-ie maar één nacht hier...?' vroeg 't zusje weer.
'Ja... je weet toch wel... hij daalt van de hemel met 'n vurige wagen en zes vurige paarde... maar geen mens kan 'm zien.'
'O,' uitzuchtte haar half-open mondje... Maar dan in enen sloeg hen-beiden fél een hevige, kille schrik...
Door 't slapende huis dreunde plots een slag... een harde bons... en dan weer stil.
Buiten floot de wind.
De twee kinderen, dol van angst in de donkere, warme bedstee, vielen tegelijk mekaar in de armen, klemden zich, de ogen wild-wijd-open in schrik, aan elkaar vast, gilden luid-op door 't stille huis...
'... O... daar is-ie... daar is de Messias... o... de zwarte man met 't dooie kind... o... de Doodsengel... móéder... móéder... vader...'
Rauw kreten hun stemmen, woest bebeukten hun vuistjes 't beddebeschot, dat eronder dreunde... trapten hun hete voetjes in 't broeierig-verwoelde bed... rolden ze hun bezwete gezichtjes wanhopig in hun hoofdkussen ...
Maar in 't alkoof kwam nu gerucht. De moeder, plots ontwaakt... op blote voeten, 't gezicht slaperig-ontsteld, snelde de kamer binnen.
'Wat is er... wat is er?' vroeg ze. 'In Godsnaam, maak vader niet wakker. Wat doet Dolf hier?'
De kinderen, huilend, half-hangend over de bedde-plank, klemden zich aan haar vast...
'O... móéder... er is iemand binnengekomme... zó'n slag... zó'n slag... et is de Messias... et is de Doodsengel...'
118