In de stilte, die de luid-geruchtende wind omvangen hield, kwam nu weer nieuw een nog-onbestemd gerucht, als van zachte voetstappen in de verte... en de angst van 't kind, éven pijnlijk-verfeld, viel neer, 't gezicht helderde op in gelukkige verrassing, als 't geluid zich vervastte tot zachte klakjes van blote voeten op 't vloerzeil in de gang. Want ze begreep... 't was Dolfje... 't was haar broertje, dat aanlopen kwam, dat bij haar kwam... en in de plotse ontspanning, die 't starre angstgevoel dee uit haar wijken, rilde ze even.
Met uitgestrekte arm duwde ze nu de deur nog verder open, bukte 't hoofd over de beddeplank en keek de kamer in.
't Kleine jongetje in z'n wit hansopje was op onzekere voetjes de kamer ingelopen. Z'n gezichtje zag bleek, met grote ogen hij ook en de mond beefde, dat z'n tandjes klakkerden tegeneen...
'Dolf,' riep 't zusje uit de bedstee, met gedempte stem... 'kom je hier?'
'Ben je nog wakker?' vroeg 't ventje blij... 'hè... gelukkig dat je nog niet sliep.' Hij zweeg even, bekende dan, naderkomend: 'ik was zo bang boven... 't waait er weer zo... zie je... wil 'k bij je komen?'
'Ja, ja,' zei ze... 'dan mag je wel op mijn warme plek liggen... ik wil wel achteran.'
'Hoeft niet,' wees 't jongetje af, edelmoedig. Dan klom hij de hoge bedstee in en 't zusje pakte 'm beet om z'n kortgeknipt bolletje en zoende hem, dat hij even er onthutst van was.
'Ik was óók zo bang,' fluisterde ze... 'maar noü helemaal niet meer, hoor.'
'Ik ook niet.'
Even kropen ze, koud geworden, diep onder 't zoet-koesterende beddedek, knussend dicht bij elkaar, lagen even stil, maar klaar wakker, de ogen open, rustig kijkend de kamer in.
Dan begon Roosje, fluisterend, in vastgewortelde vrees voor vader, die natuurlijk niet weten mocht, dat Dolf was weggelopen uit z'n bed...
'Zeg, hoe durfde je, hier te kommen?'
'Noü,' herhaalde de jongen... "k was zo bang.'
113