't Was gehoord en 't bedaarde.
Hijgend met hittige zweetkoppen stond de bende, mal-ontnuchterd ineens, te midden van de rommel... met onmachtige stemmen uithikkend... waar... waar brandt 't...
Maar Pietje, ongewoon resoluut, had 't al geblust met de rest uit nog ongeschonden theepot.
Meteen zag ze 't ruggekussen liggen... gehavend, onherkenbaar, een verrafeld vod; slap en puilend van vulsel... Dat was nou 't prachtige Sinniklaaskussen, dat haar zoveel centen en zoveel werk had gekost.
En ineens, fel opvlammend tegen ma, meteen luchtend haar verongelijkt-voelen en jaloersheid van Gerrit, bitste ze vals:... 'een gemeèn dier bê-jij.'
Even verbazingstilte, dan ma:
'Ikke 'n gemeen dier... ikke?... Dat la'k me nie segge, vast-nie van jou, dronke toddel... bitterneus... 'k ga wèg... 'k ga meteen na me moeder... voorgoed... 'n Jodepan is 't hier... maar 'k ga wèg... 'k ga weg...'
Woest propte ze haar naairommel in lege boodschapmand, rukte hoed en mantel van de kapstok, nam de pollepel ... zonder groet liep ze de deur uit... en buiten in de stille kou wegklonken haar driftig-snelle stappen.
En zodra de anderen voelden, dat ze nou, heus, niet zou weeromkomen, begonnen ze, ineens vreedzaam, praatjes te maken over haar, over haar bazen, haar valsheid, haar gulzigheid... 'nóu strakkies nog met de koekkrummels.'
Pietje, verbluft van 't succes, zich weer baas voelend, juffrouwde gestreng:
'Enne... nou is-et meteen uit met de Jode-stoele en de Jodekomme... mense ben mense... Jood öf Christe... eender voor ons' lieve Heer...'
En in de vredestemming van gemeenschappelijke kwaadspraak over verdwenen ma, gul gaven ze toe... Wèl hadden de Joden ons-Heer gekruisigd, maar dat was al zo lang gelejen... en Racheltje en Hendriek waren er toch - nèt als de juffrouw d'r man strakkies gezeid had - niet bij geweest.
Dus zouden zij en andere Jodenmeissies voortaan op de stoelen bij de tafel zitten en uit mooie kommetjes drinken.
107