de goedbetaalde en goed opgevoedc, over intellectuele en artistieke aspiraties beschikkende middelklassen.
Daar vindt men in vrij grote mate welvaart, beschaving en vrijheid, schoon slechts zelden bij dezelfde individuen van die groep, harmonisch verenigd. Socialisme, is het streven die concrete levensstandaard en die concrete levenshouding aan steeds grotere groepen van de bevolking, uiteindelijk aan de gehele bevolking, te doen geworden. Het is tegelijkertijd het streven die levensstandaard en die levenshouding nog te vervolmaken, nog op een hoger niveau te brengen. Uit dit laatste blijkt, dat we het aanwezige niet idealiseren, doch voor verandering en verbetering vatbaar achten.
En de kampioenen van het marxistische en proletarische socialisme, die zichzelf wetenschappelijk vinden en die ons van humanitair en vaag geklets plegen te beschuldigen omdat we zulke concretc(!) en wetenschappelijke(l) formuleringen als die over het privaat-bezit onbevredigend achten, wijzen wij er op, dat de arbeiders, waarover zij altijd praten, volkomen maling hebben aan „kapitalisme”, „klassenstrijd”, „klassenloze maatschappij”, maar dat zij beter willen leven, meer welvaart, meer bewegingsvrijheid, meer kennis, meer genietingsvormen en (in de beste gevallen) dus meer cultuur of beschaving willen. En zo is het niet alleen met de arbeiders, zo is het met de overgrote massa der bevolking gesteld.
Het „wetenschappelijk” socialisme heeft de treurige verdienste het natuurlijke bevredigen dier behoeften — en daardoor de mogelijkheid van het verdwijnen der complexen, ontstaan door het onbevredigd blijven ervan — te hebben bemoeilijkt door z’n poging de mensen te suggereren dat het rechtstreekse streven naar bevrediging „utopie”, „burgerlijkheid”, „idealistisch gezwam” zou zijn,' terwijl de manier om tot het vervullen der verlangens te geraken zou bestaan in het omzetten van al die normale verlangens en vatbare doeleinden, in een aantal zonderlinge Hegeliaanse abstracties, die dan weer, zoo houterig mogelijk, met de reële wereld in verband gebracht moeten worden.
Zo dwaas en zo onmogelijk is dit pogen, dat men er in de loop van enige generaties slechts in geslaagd is, een heel klein gedeelte van de belanghebbenden (het actieve deel der socialistische partijen en vakverenigingen niet meer dan enkele duizenden of tienduizenden op een bevolking van millioenen of tientallen mil-lioenen) met een uiterst dun laagje van marxistische ideologie te overdekken (over de dunheid van dat laagje zelfs bij de voormannen, zou een opstel te schrijven zijn), een laagje dat de natuurlijke gevoelens niet vernietigt, doch ze wel vervalst en ontkracht.
Is het positief resultaat dus miniem, de aangerichtc verwarring,
224