Tegen economisme en militarisme, stalinisme en fascisme, marxisme en anti-liberalisme, is het nodig niet slechts op te komen voor de „vrijheid”, doch deze zelfs als eerste der elementen waaruit het socialisme bestaat, te noemen.
Vrijheid, welvaart, beschaving, dat is socialisme. En als men tegenwerpt dat een dcrgclijke omschrijving niet „wetenschappelijk” is, omdat ook ieder liberaal en ieder kapitalist kan verklaren dat hij het er mee eens is, dan moet hierop geantwoord worden dat het mogelijk is, met de wetten en de dagelijkse feiten in de hand, te bewijzen wat er aan de „vrijheid” in een bepaald land ontbreekt, zoals het ook mogclijk is met statistieken, inkomsten-cijfers, pro-ductie-staten enz. enz. te laten zien hoe weinig welvaart er is, en met productie- en consumptie-planncn aan te geven hoe men die welvaart zou kunnen vergroten, terwijl men ook met cijfers en feiten en analysen een balans der beschaving kan aangeven.
In een dcrgclijke gedetailleerde critiek en in duidelijke, uitvoerige en nauwkeurige plannen die aangeven wat veranderd moet worden en hoe het kan gebeuren; daarin en daarin alleen, bestaat de „wetenschappelijkheid” van het socialisme. En niet alleen de wetenschappelijkheid, doch nagenoeg het gehele wezen. De scheidingslijn tussen socialist cn niet- of anti-socialist is alleen aan te geven als men de grondslag: vrijheid — welvaart — beschaving neemt en daarvan uitgaande een program tot uitbreiding van die grondslag ontwerpt. Niet alleen dat de fascisten direct beginnen te tieren als men die woorden uitsprcckt, doch als men even doorgaat beginnen ook de communisten over dictatuur, proletariaat, sowjet-stelsel en Rusland te dazen, en laten zo zien, dat ze eigenlijk alleen maar de barbaarsheid willen; en een ogenblik later, als aangegeven wordt wat veranderd, gewijzigd, vergroot, verbeterd en wat ingekrompen, afgeschaft, verwijderd moet worden, laten ook de mond-liberalen duidelijk merken, dat ze er niet van terug hebben. En wie er wèl van gediend zijn, wie er aan mee willen werken, welnu, dat zijn de socialisten.
Uit dit alles blijkt wel — maar ik wil het nog eens met nadruk herhalen — dat de tegenstelling tussen een zodanig socialisme en het demo-liberalisme (of „kapitalisme”) veel geringer is dan de tegenstelling socialisme-fascisme of socialisme-bolsjcwisme, ofschoon èn fascisme èn bolsjewisme prat gaan op hun anti-kapita-listische gezindheid. Ze zijn ook anti-kapitalistisch maar hun anti-kapitalisme is niet progressief, doch barbaars, onbeschaafd, reac-tionnair, tyranniek. Een progressief, beschaafd, vrijheidsgezind so-
222