Windkracht tien. Het loeide en bulderde over de Maas, over de stad. In ijlende vaart rolden de golven, hun schuimkoppen dartelden over elkander. Steigerende sleepboten te hulp naar losgeslagen tramp-vaarders, politieboten op zoek naar beurtschippers in nood. En daar overheen slagregens in tropische buien.
Bezorgd keek het havenpersoneel naar de peilschalen. Het water liep op. Vloed en noordwester, de oude vijanden van de stad in volle aanval. En tegen de avond stond het water, het bloed van Rotterdam, tot de kaderanden van de Boompjes, de Leuvehaven, de Wijnhaven, het Haringvliet. En aan de overkant in Maas- en Rijnhavens. Mannen verlieten hun huizen. Jekkers aan, petten diep getrokken over de hoofden. Nu zelfs geen pruim achter de wangen, geen stenen zwijgertjes in de mond. Voor de zoveelste maal vocht de stad tegen vliegend weer. Voor de zoveelste maal overlegden zij met afgebeten losse woorden of ze de straten en steegjes moesten gaan afstoppen met zakken zand. Al de lage plekken op de zeewering, naar oost en west.
Centimeter na centimeter steeg het water. De kaden stonden blank, kelders waren ondergelopen, in de gelijkvloerse pakhuizen bedierf de opslag. Schoorstenen, dakpannen, ze tuimelden in de vloed, bijna geruisloos verzwolgen. En tussen de vrouwen stond Annelies. De wollen omslagdoek rond ’t natberegende gezichtje, de wollen kousevoeten in klompen.
Haar tranen mengden zich met de striemende regen, haar kinnetje trilde, hoewel zij haar kaken opeen klemde.
‘Waarom bier je, meid,’ vroeg een oudere vrouw.
‘Hij leit te stanipe voor de Hoek. Met een graanboot uit Bonne-zeres.’
‘Je kerel of je knuffel?’
‘Me kerel. Eén torn van acht maanden. Twee dage na ’t stadhuis heb ik ’rn maar gehad,’ snikte Annelies, het hoofd gebogen.
‘Kop op, meid, me eerste kerel hebbe ze tweemaal van de Bretonse rotsen geplukt. De derde keer was ’t raak. Nou, een jaar griene en ik kreeg weer een ander. Ook zo’n goeie. Wat maak’t uit.’
‘Alles. Hij is ’t. Ik wil ’m niet verspelen,’ ze kon bijna niet meer
134