'D’r benne d’r heel wat minder.’
'Meen je dat echt?’
'Daarom zei ik ’t onrmers.’
Ze boog haar hoofd. Verborg haar blos. Haar geurende kastanjebruine haren kriebelden z’n kin.
De volgende morgen stond ze op de Willemskade. Hij zag haar toen z’n schip voorbij voer. Hij wuifde vanaf de voorplecht naar de mollige brunette in haar lichtblauwe katoenen dienstjapon. Met een slip van haar witte schort wiste zij tranen uit haar ogen, de banden van haar hooien kornet wapperden in de harde wind. Alsof zij jachtig wilde vluchten voor dit vreemde avontuur. Zij hield haar linkerarm omhoog, zolang totdat het schip bijna niet meer zichtbaar was. En terug in de keuken was zij voor de eerste keer brutaal tegen de keukenmeid, die haar ondervroeg over het lange uitblijven. Woedend werd haar een kom koffie toegeschoven, de keukenmeid vergat opzettelijk een verse janhagel. Maar het deerde haar niet. Ze glimlachte in zich zelf gekeerd, de ogen geloken. Gelukkig.
Zij ging niet meer dansen. Zat avond aan avond naast de keukentafel en breide kleertjes voor de zending. Alleen vrijdagsavonds las zij de w’ekelijkse aflevering van de stuiversroman.
Hij schreef. Een keer. Een prentbriefkaart, bezorgd tussen de post van de heer des huizes.
En mevrouw, een statige grijze dame. sorteerde uit de post de aan haar gerichte brieven en die van het personeel. Daarom stond Anne-lies nu naast de secretaire van mevrouw.
Die liet haar lorgnon openspringen en terwijl ze er streng door keek, zei ze: ‘Meisje, ken jij een man die Leen heet?’
‘ja, mevrouw. Ik heb ’s met ’m gedanst.’
'Waard Het klonk alsof haar sierlijke hand op het schrijfbureautje sloeg.
Annelies zwreeg. Bekennen dat ze op een woensdagavond had gedanst in een ‘zaak’ op de Dijk betekende ontslag.
‘Waar?’ ’t Klonk nog dreigender.
132