‘Thuis lijken we allemaal op moeder. Maar m’n zussies sprekend. Dat benne mooie meiden, m’n zussies, meneer Krakauer.’
‘Zo, zo, Japie. Hoe oud is je moeder?’
‘Nou laat-es kijken, komende week vrijdag wordt ze éénenveertig jaar, zo God wil en we leven,’ antwoordde Japie. Zijn ogen glinsterden; al was moeder streng, ze was een ‘immese’ moeder.
‘Japie, ik kom volgende week vrijdag je moeder feliciteren. Zeg maar dat ik kom eten. Dat is gezellig voor me.’
‘Komp uw vrouw mee, mot ik dat zegge?’ Japies ogen waren blij door dit nieuws. Hoog bezoek.
‘Nee, ik kom alleen. Want ik ben alleen. Net als je moeder. Al tien jaar weduwnaar. Maar afhjn, drink je thee en vergeet het niet te zeggen. Anders sta ik voor m’n vrijdagavond nog op straat.’
Japie dronk zijn thee. David Krakauer lepelde zijn soep en at daarna z’n erofjtietjes. De beurs loerde tersluiks. Nog even! Dan zou Krakauer gaan ontbieden aan zijn tafeltje, dan zouden de partijen in beweging komen, dan zou de winst zichtbaar worden. En bij sommige Rotterdamse kooplieden ontwaakte het idee: ‘Als-ie die partij neemt, dan zondagavond met Bekkie naar de schouwburg. En vooraan. Stalles.’
‘Japie, schrijf op,’ zei David Krakauer opeens. De croquetten waren niet meer.
‘Wat moet ik opschrijven? En ik heb geen potlood en geen papier, meneer Krakauer.’
David Krakauer wenkte een van de begerigen. Zei; ‘Leen me even een briefbloc en een potlood. Ik maak het straks wel goed met je.’ Het schrijfgerei lag er onmiddellijk, de geur van winst maakte té vriendelijk onderdanig.
‘Japie, noteer.’
En op de liniatuur verscheen een order waarvan Sal Pachter nog nooit had gedroomd. Japie Drukker besefte dat nog niet; daarom vroeg hij: ‘Waarom moet ik dat nou allemaal opschrijven. Ik weet niet eens wat het betekent.’
‘Hoeft ook niet. Zeg alleen maar tegen je patroon dat hij me dat allemaal zo gauw mogelijk levert. En dat hij jou provisie moet be-
123