anders zijn ze weg. David, dat koop je niet, dit steel je voor zo’n niksprijs. . . Krakauer, ik zal jou eens een keer wat laten verdienen. .. Krakauer.. . Krakauer. . . Krakauer...
‘Laat me met rust. Ik koop niks anders dan gerookte zalm. Wie heeft twee ons gerookte zalm? Onmiddellijk leveren, spotcash.’
Niemand had voorraad gerookte zalm bij zich. Niemand had behoefte aan spotcash. Ze dropen af, een beetje geërgerd dat David Krakauer niet onmiddellijk al hun partijen tegen die va-banque-prijzen had gekocht. Hij komt wel, dachten ze, straks... eerst moet-ie zijn kop soep en z'n twee croquetjes verzwolgen hebben. David Krakauer zocht een tafeltje hij het raam, beduidde Japie tegenover hem plaats te nemen. Het tafeltje was eigenlijk bezet. Maar de drie drentelende kooplieden durfden niet voor hun recht op te komen. David Krakauer was een té grote zakenreus.
‘Japie, wat drink je van me?’ vroeg Krakauer.
‘Ik heb geen dorst, meneer. En m’n kruikje thee staat nog op de zaak.’
‘Zo, zo, nou, jij drinkt thee hier.’
David Krakauer wenkte de kelner. Die kwam vlug, Krakauer was niet zo maar een beursbezoeker. Hij wras een begrip, een machtige man, een royale klant die een stuiver fooi niet kende.
‘Klaas, thee voor de jongen. En je weet wel voor mij.’
Terwijl de kelner voor zijn bestelling op pad ging, want Coomans was groot en breed en diep, zei Krakauer: ‘Japie, wat verdien je daar?’
‘Een gulden in de week, om te beginnen.’
‘En nog iets van provisie?’
‘Nee, meneer Krakauer. Allenig de meisjes krijgen een beetje van de verkoop. En de reizigers natuurlijk. Maar ik ben van kantoor. Als ik nou in de zaak hielp, misschien.’ Hij keek een beetje sip naar de voorbijgangers en de sleperskarren, die de Hoofdsteeg tot iets Lon-dens maakten.
‘Japie, is je moeder weduwe?’
‘Ja, meneer. Al tien jaar weduwwrouw.’
‘Zo, zo. En lijk je op je moeder?’
122