‘Waaró, meneer, en wat moet erop?’
‘Eindelijk, eindelijk breekt het door,’ stelde Pachter tevreden vast. ‘Kou, waar zou een jiddisje grossier in Rotterdam zijn broodjes halen. Nou, waaróó?’
‘Bij Sternheim.’
‘Juist, bij Sternheim in de Wagenstraat, juist. En wat moet erop?’ ‘Warm kalfsvlees, pekelvlees, vette worst,’ Japie aarzelde.
‘Ga door. .. ga door!’ zei Pachter met gesloten ogen.
‘Magere worst, leverworst, lever, rauw gehakt. . .’
‘Ga door . ga door!’
‘Ik weet niet meer.’
‘Jammer, heel jammer. . . ik was net zo lekker aan ’t eten,’ zei Sal Pachter en zuchtte, ‘maar affijn, je smaak is tenminste goed. Laat ’s kijken.. . laat je geven één galletje pekelvlees. . . één galletje warm kalfsvlees. .. in de jus. . . één galletje lever. .. een augurk en drie uitjes!’
Opeens daagde er iets in Japies hoofd en er flikkerde iets in z’n donkere ogen. ‘Ook met de revolvers, meneer Pachter? Van de heup?’ En wat hij verwachtte gebeurde niet. Sal Pachter schreeuwde niet. Hij sloot weer z’n ogen, wreef over zijn neus en zei tevreden: ‘Eindelijk. . . eindelijk begin je mens te worden. Eindelijk een laagje handelsgrondverf. Ga gauw. Ik heb honger, ik heb grote honger, heel grote honger. En voor jou mag je een tampie worst meebrengen.’
‘Van uw geld?’
‘Dacht je dat Abraham Kuyper het betaalde? Die laat betalen.. . onthou dat, Japie, de overheid laat altijd betalen. En héél véél! Ga nou, anders is m’n honger over vanwege de overheid. Dat tampie is van de zaak!’
Japie Drukker maakte geen fouten met de broodjes. En er waren vijf uitjes.
‘Hoe komt dat? Vijf?’ stelde Sal Pachter vast en tikte vijfmaal met z’n potlood op de schrijftafel.
‘Hij kan zeker niet tellen,’ constateerde Japie.
‘En jij, kan jij tellen,’ vroeg Sal Pachter met vorsende blik.
118