Japie Drukker, zeg tegen je moeder dat ze bij me komt om haar vlees en bloed terug te halen.’
Er werd geklopt. Vragend keek Japie naar zijn patroon, die hem toeriep: ‘Laat binnen komen, alleen de Engel des Doods stuur je terug.' Japie hoefde niet naar de deur te gaan om een bezoeker binnen te laten. Die stond opeens midden in het kantoor. Een grote, zware man met een grote, zware sigaar in z’n linker mondhoek.
‘Devie, jij hier?’ riep Sal Pachter.
‘Ja, helemaal. En niet met lege handen,’ riep David Krakauer terug. ‘Ik heb een verrassing voor je meegebracht. Je hele zending van de vorige week staat buiten op drie sleperskarren.’
‘Wat mankeert eraan?’
‘Alles.’
‘Alles.. . alles.. . wat is alles?’ schreeuwde Sal Pachter.
‘Wat alles is, zul je zien als je alles bekijkt. Een mooie bezigheid voor je Sjabbes en zondag. En nou m’n geld terug plus de vracht en de fooien voor de slepers.’
‘In geen honderd jaar. Chicanes!’ Sal Pachter was uitzinnig van boosheid. David Krakauer deed een paar stappen in zijn richting. Dreigend. Zijn beide handen zo groot als serveerblaadjes onder de neus van Sal Pachter. ‘En nou hier maar in tellen, Sally, jongen, en een beetje vlug.’
‘Wat mankeert er aan dat goed?’
‘Ga maar kijken, ga maar kijken,’ zei David Krakauer nu gemoedelijk en blies een lorse wolk tabaksrook uit. David Krakauer nam breeduit plaats in de stoel achter het bureau van Sal Pachter en lachte tegen Japie.
‘En, jongen, hoelang ben je hier?’
‘Vandaag voor ’t eerst, meneer.’
‘Moet je nog niet opgenomen worden in een zenuwinrichting?! ‘Ikke. . ., meneer. . ., waarom?'
‘Komt wel, komt wel..., tenzij je een andere baas zoekt. Iedere jongste bediende van Sal Pachter is al na één week in een dwangbuis weggevoerd, 'k Zou morgen maar wegblijven.’
Toen stormde Sal Pachter weer terug in z'n kantoor. ‘\\ aar zijn die
115