‘Jö, ga d’r in,’ stookte Eva, ‘hij staat niet in z’n hemd.’
Toen gaf ze hem een duw en een knipoog.
En Japie stond in het rommelige kantoor van Salomon Pachter.
De patroon keek op, bulderde: ‘Je bent te laat! Je zal het ver brengen, héél ver. Denk eran dat je je niet drukt, Drukker!’
‘Ik ben jarig,’ antwoordde Japie, in de hoop dat dit grootse, dit jarige, zijn patroon op slag zou vertederen.
‘Dat doe je maar in je eigen tijd. Als je ooit je pensioen bereikt, dan vier je al je verjaardagen maar achter elkaar. En leg je restaurant maar in die bureaula en begin.'
‘Waarmee, meneer Pachter./
‘Ruim hier op. Al die monsters m'n kantoor uit. De hele wereld stuurt monsters. Als ze allemaal een order krijgen, kon ik het hele entrepot wel huren. En Sal Pachter pleite. Wat goed is naar de winkel, onze postzegelkosten brengen ze altijd wel op.’
Na deze woorden was Japie Drukker lucht geworden. Maar nauwelijks was hij begonnen met opruimen, ot zijn patroon riep: ‘Japie!’ ‘Ja, meneer Pachter.’
‘Japie, noem me niet de hele dag meneer Pachter. Eerstens is ’t een rotnaam en tweedens verlies je te veel tijd. Kort en zakelijk, Japie, kort en zakelijk. Daar kijk je van op, hè, dat ik m'n naam een rotnaam vind. Ik had veel liever Orchidee geheten. Maar als ik hem wil laten veranderen, kost me dat ten eerste te veel geld en ten tweede kunnen de venters dat niet uitspreken. Daarom leg ik me maar neer bij Pachter. Pachter naast Pachter. Mesjoggaas. Japie, ga geld halen.’ ‘Waaró, meneer Pachter naast Pachter?’
‘Japie Drukker, je verspilt m’n tijd. Waaró, dat is een o te veel. Men zegt: waar. Da’s kort en krachtig. Nou, waar? Bij de bank natuurlijk.’
‘Waaró is die bank?’
‘Op het Beursplein tegenover het fonteintje en de mussen en de Beurs. Daaro!’
‘Hoe moet ik dat doen, daaro?’
‘Japie, ik krijg de zenuwen van je. Je gaat eerst naar de bioscoop. Scala op de Hoogstraat. Zie je de cowboys. Nou, dan loop je naar
112