gemest, dat de Dood hem nu lust en hem ter keuring heeft opgeroepen?”
Anna kwam op hem toe, maakte een speelse diepe nijging voor hem, pakte hem bij de hand en leidde hem statig naar de hoofdplaats aan de lange tafel, waar overdag de voornaamste kooplieden plachten te zitten. En Anna declameerde:
„Vlij u neder, o Vorst van de Nacht, en maak ons, uw nederige dienaressen, uw wensen kenbaar. We zullen ze vervullen, op kleine uitzonderingen na, waaronder het opdienen van een warme maaltijd, want de keuken is dicht.”
„Ai mij, gij bekoorlijkste vrouw van Amstelland. Uw woorden verhitten mijn verlangen en mijn bloed jaagt en jaagt. Daarbij veroordeelt gij een vorst tot de hongerdood en er rest hem niets anders dan vergetelheid te zoeken in dronkenschap. Schenk mij rode koppige wijn, maagden van Amstelredamme, en laat ons vrolijk zijn tot het ochtendgloren.”
„Foei, edele heer! Kuis uw taal en laat ons niet langer sidderen door het vuur van uw schone ogen en de uitdaging van uw pikante kneveltje. Eén glas zullen wij u schenken en zo gij slechts naar ons wijst... bij St. Olof het zal u slecht vergaan en zelfs uw kolonel met een heel vendel zal u niet kunnen redden! ”
Anna wierp met een koninklijk gebaar het hoofd in de nek, liep geagiteerd met driftige pasjes op en neer. Jannegie Pietersdochter schaterde van plezier en Dirckje Swaen lachte nu ook en schudde wijs het hoofd.
„Anna, Anna, aan jou is een toneelspeelster verloren gegaan,” riep Philippe de Haen.
„Verloren gegaan?” vroeg Anna. „Wie weet wat de toekomst nog brengt?”
„Anna, morgen ga ik naar de koopman-dichter Vondel in de Warmoes-straat en ik zal hem vertellen...”
„Waag het eens,” onderbrak de waardin geschrokken, en ineens uit haar rol gevallen. „Wat denk je van me... een nette waardin in de Stadsschouwburg... om je dood te schamen!”
„Waarom schamen? Zijn het geen fatsoenlijke mensen, die ons een hoop plezier brengen? Ik geniet nergens meer dan in de schouwburg. Anna, ben je er wel eens geweest?”
„Ik?... Wel nee,” zei ze kleintjes.
„En waar heb je dan dat komediespelen vandaan?” vroeg hij plagend.
97