verre warme stranden. Varen! God... laat ze varen, zodat we niet verrekken. Laat ze bouwen aan een vloot.. .deze winter... laat ze uitzeilen in de lente en de zee schoonvegen, want we moeten leven... Heer, we moeten leven!
Reinier Vinck hield de handen nog steeds gevouwen, zijn kaken klemde hij opeen, zijn ogen waren vochtig. Wat was dat? Hij, een ervaren keiharde koopman, die de hele wereld had bereisd?... Was hem dan dit kleine stukje land, die paar honderd vierkante mijlen zo lief? Was dat Vaderland? En konden deze gedachten zo fel opkomen, nu, te midden van gelach en geroezemoes, geschreeuw en drank? Juist nu?
Dirckje Swaen en Jannegie Pietersdochter kwamen het trapje op. Ieder droeg een grote Delftsblauwe soepterrine en een hengselmandje met brood aan haar rechterarm. Een gejuich steeg op, de Franse mannen hieven hun glas en dronken de meisjes toe, die lachend diep bloosden. De soepterrines werden midden op tafel gezet en twee Frangaises begonnen gracieus de borden van het gezelschap vol te scheppen. En tijdens het oplepelen van de soep rolden de volzinnen tegen elkander in, soms waren het declamaties uit een toneelstuk.
Anna Swaerdemaeckers kwam nu ook zelf even boven met de schotel voor Reinier Vinck. Ze lichtte voor hem het deksel op van de ovale zilveren pan en liet hem de geur van een kapoen opsnuiven, die daarin gesmoord lag te midden van een weelde kleine doperwtjes, worteltjes en champignons.
Gerrit Hendricksz kwam naar boven met een kan wijn voor de koopman. Hij boog wat eerbiedig wegens zijn groot ontzag voor Reinier Vinck. Daarna ging hij weer rond langs de grote tafel om de lege wijnkannen te verwisselen voor volle.
Eén van de komedianten was reeds licht beschonken. Toen Jannegie Pietersdochter zich langs hem boog om een grote schotel schaaps-koteletten op tafel te zetten, legde hij zijn arm rond haar middel en wilde haar naar zich toetrekken. Jannegie verzette zich zo onopvallend mogelijk, maar haar weerstand prikkelde hem. Hij drukte zijn volle lippen op haar rozige onderarm en zoende behaaglijk. Jannegie Pietersdochter werd driftig, ze was niet preuts, maar ze liet zich niet zoenen door een vreemde zatlap. Met een korte harde klap sloeg zij hem in het gezicht. Het gezelschap was sprakeloos, maar daarna klaterde een applaus op voor Jannegie en een daverend hoongelach voor de Fransman. Hij waggelde overeind, dat liet hij niet op zich zitten, die meid
94