staren naar de wanorde, naar de rustig brandende kaars. Naar de lege stoel van Pieter Ravesteyn. Toen zag zij haar opstaan.
De waardin streek met een snel gebaar haar kleren glad, schikte met vlugge vingers heur lange haren tot een wrong, vlijde haar witte kap erom.
„Kom mee... de frisse lucht in. Weg uit die stank hier, uit deze mannenbende. Dat een mens zich zo van streek kan maken," zei ze nog verontschuldigend.
„Het is buiten gevaarlijk, hebt u vanavond gezegd.”
„Voor jou. Niet voor mij... niet voor ons.”
Zij greep het grote vleesmes van de grond, wikkelde het in een servet. Met een dwingend gebaar reikte zij het over aan Geesje. „Onder je schoudermantel. En niet bang zijn, als je steken moet!”
Aarzelend verborg Geesje het mes onder haar schoudermantel, hield het krampachtig vast, keek naar de waardin met groot ontzag want haar ogen waren weer groen en ondoorgrondelijk.
„Kom nu mee,” gebood Anna.
„U kunt zo niet gaan, waardin. Het is te koud buiten. Neem uw mantel terug.”
„Niet nodig.”
Vlug keek Anna rond, zag een vergeten witte sjerp over een stoelleuning hangen. Snel knoopte zij hem rond haar hals en wenkte, kort en ongeduldig zoals zij dikwijls deed.
Zij daalden het trapje naar de herberg af en daar nam Anna de lantaarn van de haak bij de deur, stak hem aan met de kaars, die nog steeds stond te branden op de grote middentafel. Geesje stapte naar buiten, de waardin volgde en sloot onhoorbaar de buitendeur.
Twee vrouwen in de donkere nacht. Dicht naast elkaar, met wiegende gang, de rokken deinen. Wat luguber mansvolk tegen de gevels, doen soms een stap vooruit als de vrouwen passeren. Dan heft de waardin haar lantaarn en belicht resoluut hun ongure gezichten en zij deinzen terug. Daar is het IJ, de Nieuwe Brug, de houtwerven, de Schreiers-toren, oud, gedrongen, fors, met kleine vensters.
En daar zijn ook de vrouwen van Amsterdam, met toortsen en lantaarns. Tientallen. Zij drommen voor deze toren, die voor velen een dodenkapel aan het water zal worden.
En ginder op het donkere water... oorlogsschepen en het konvooi dat uitzwermen moet over alle zeeën, straks als de Britse grendel
307