zal zijn verbroken. Onregelmatig, maar als geheel één harmonie zo deinen de vuren en de heklichten. In de diepte krioelen de kleine lantaarns van de laatste sloepen, verschieten dan snel en het geplas van de riemen versterft. En de honderden lichten worden kleiner en kleiner, verzwakken in een lichte nevel, lossen zich op. De vloot zeilt...
Anna Swaerdemaeckers staat aan de wallekant, beneden klotst het water tegen de beschoeiing, een altijd aanwezige dreiging. Zij tuurt in de duisternis, haar tong beweegt zich even snel langs haar lippen en zij proeft het zilte, dat aanwaait van de Zuiderzee...
En dan is er opeens een oud vrouwtje naast haar komen staan. Wat gekromd, wat huiverend in de koele nacht. In haar rechterhand een brandende toorts, in de linker een witte bundel. Oude Hillegie, de huishoudster van Pieter Ravesteyn.
En Anna kijkt op haar neer, met wat onzekere ogen, fluistert: „Hillegie... u... in de nacht?”
„Ja. Mijnheer de onderschout heeft geen afscheid van me genomen. Hij zou pas morgen gaan, daarom ben ik gaan slapen. Hij is zó het huis uitgerend... hij heeft zich niet eens meer kunnen verschonen. Veel te lang heeft hij bij u zitten feesten, veel te lang. En de Schout is ook nog gekomen om afscheid te nemen. Maar hij was al vertrokken... zo een eer... de Schout in de nacht om nog goede reis te wensen. Hier is z’n verschoning, ik dacht nog wel een parlevinker te vinden. De Heren hebben opeens ook zo’n haast... maar misschien is het getij nu goed.”
Het duurde lang voordat Anna antwoordde:
„Ja... Hillegie... het getij was goed.”
En Anna trad uit de lichtcirkel van Hillegie’s toorts. Zij zuchtte diep en aarzelend ging haar hand naar heur haar en de blanke muts, streek erover, volgens haar gewoonte...
Drie vrouwen keren terug in de donkere nacht. Dicht naast elkander. Twee in wiegende gang en met deinende rokken. De derde in het midden, klein en oud en verloren en haar rokken deinen niet. Bij de houtwerven staan zij stil, turen dan naar de vrouwen voor de Schreiers-toren, naar de toortsen en de lantaarns, die zij nog steeds geheven houden. Oude Hillegie keert zich naar het water en stapt naar voren. Heft haar toorts zoals die vrouwen ginder. Staat er oud en vermoeid, de toorts tot schouderhoogte, de witte bundel rustend op de keien.
308