„Ik moet je verraden... om mijn eigen leven. Pieter, waarom deed je dat?”
„Anna... verraad me niet... Anna, ze zullen me ter dood brengen op de Dam, Annaaa!”
„Waarom heb je hem neergestoken?”
„Ik was bij haar... om afscheid te nemen. En hij kwam van Tessel. Hij greep z’n hartsvanger en er was alleen maar moordlust in z’n ogen. En toen... ik weet het niet.”
„Op overspel staat voor de vrouw de dood.” Zij beet op haar vuist om niet in huilen uit te barsten.
„Ja... daarom... om haar te sparen. Zij is gevlucht, misschien al over de muur.”
„Ik mocht hem niet... nee, maar zo’n lot voor Ysbrandt de Graef. Mijn God, waarom?”
Zij sloeg de handen voor de ogen, het hoofd diep gebogen. Wat wezenloos keek de onderschout de kamer rond, staarde toen opeens ontzet naar het glas in loodvenster, waarlangs de wenteltrap liep. Hij sprong op, riep:
„Wie... wie is dat? Daar... dat gezicht achter dat venster?”
Met forse stappen, bijna nuchter, bereikte hij de deur van de opkamer, rukte hem open en zag hoe een gedaante de herberg uitvluchtte. Hij keerde zich om, zijn gezicht was asgrauw, vol spanning en dreiging.
„Wie?” siste hij en kwam op Anna af.
Zij schuifelde bang langs de muur. Hij greep haar en kwakte haar als een speelpop in zijn arm, greep haar keel.
„Wie?”
Zijn ogen waren bloeddoorlopen. In de hare was doodsangst. „Geesje Seghers, de stuurmansvrouw. De rakkers waren achter haar aan. Zij vluchtte bij ons binnen en we hebben haar verborgen.” Zij sprak gejaagd. Hij slingerde haar van zich af. Doelloos en angstig dwaalde hij rond de tafel. Riep:
„Ze heeft alles gehoord! ze was getuige. Die vrouw zal me verraden. Anna!!”
Zij keek naar hem vanuit de schaduw. Zag hem radeloos en hulpeloos. Een groot en zwaar en gekooid dier.
„Waarom ben je niet gevlucht... vandaag?” fluisterde zij.
Er was een zweem van meelij in haar stem, toen zij vervolgde: „Waarom koel en beheerst je eigen misdaad onderzocht? Of het die
301