van een vreemde betrof? En dan deze waanzinnige maaltijd... en een bloedig hemd onder je feestkleding?”
„Ik weet ’t niet... ik weet ’t niet. Nooit heb ik beseft wat de moordenaars dreef. Hun leugens en halsstarrigheid tot op het schavot heb ik nooit kunnen doorgronden. En nu... van mezelf? ik begrijp het weer niet. Een ander is in me gevaren. Een ander nam in één oogwenk bezit van me... trok m’n rapier en stak. Een ander trok een gordijn op... verlamde me... verduisterde m’n vroeger leven. Zo erg dat ik zelfs nu die stervende bootsman niet meer zie... Een ander begon in me te denken en te rekenen, telde de uren die me nog scheiden van de vloot. Anna... ik besta nu uit drie wezens, een dat doodde... een man in doodsangst voor ontdekking en vaag, verweg... Pieter Ravesteyn de nauwgezette onderschout.”
„Hellehond!... hellehond!!” fluisterde zij en bonsde tweemaal met het hoofd tegen de muur en voelde het niet. Hij stond stil, wiegde het zware lichaam, de ogen gesloten, fluisterde verder:
„Hillegie mocht dat hemd nooit zien... ze zou me verraden door haar bezorgdheid. Dat die arme onderschout altijd op leven en dood moest vechten. En Jannegie Pietersdochter... ook dat moet je weten voordat ze me grijpen en vonnissen. Bij haar was eerlijke genegenheid voor mij... om mezelf... om mezelf. Geen vrouw in m’n leven had van me gehouden... en m’n moeder heb ik nooit gekend...”
En opeens pakte hem weer de doodsangst. Hij brulde bijna: „Anna... doe iets! Annaaaü... trek me eruit! Haal dat wezen uit me weg!”
Hij beet op zijn vuisten, zijn gezicht was afzichtelijk verwrongen. „En mij wilde je meeslepen,” beet ze hem toe, „jij vernietigd en ook Anna, het speelmeisje uit je jeugd... ook kapot!”
„Nee... nee, je begrijpt me niet... nooit heb je me begrepen. Misschien geen enkele man.”
Zij sloot de ogen. Zijn woorden verwondden haar diep. En toen ze weer opkeek zag ze hem opeens. Daar stond weer het jongetje Pieter, dat ineenkromp onder de stokslagen van de kostvader.
En zij voelde zich oud. Jaren ouder dan die domme grote beer. En zij besefte dat zij al jaren ieder sprankje jeugd verloren had.
Zij kwam op hem toe. Greep hem beet met beide handen. Bij het bloedige hemd. Schudde hem heftig, terwijl ze naar hem opkeek. Fluisterde:
„Weg... nu... onmiddellijk! Ze vierendelen je! weg... nu!!”
302