vragen of de Wisselbank haar geld zou willen bewaren, net zo goed als van de grote kooplieden. Morgen!...
Het was of haar hart stilstond van schrik. Morgen!!... straks! over een paar minuten zou het twaalf slaan, dan was zij gevangene van Mijne Heren. Och, kom... gevangene! Morgen voor de Schout zou de onzin van die zatlap wel gauw zijn aangetoond. Maar de schande... de schande te moeten verschijnen voor de Schout en schrijvers, misschien wel voor de President-Schepen. De mensen zijn belust op de ondergang van een ander, vooral op de hare. Waarom ? omdat ze flink en zelfstandig was? Maar die schande zouden zij uitschreeuwen... de waardin van 'De Lenteblom’ voor Schout en Schepenen, verdacht van doodslag. Nu ja, ze was weer vrij... viel niet te bewijzen, maar toch, maar toch!... men moet maar niet meer gaan eten in het huis van een doodslager...
Anna sprong op, zij rilde en trilde op haar benen. Zij liet zich even gaan maar bedwong zich weer spoedig en zonk weer terug op het schemeltje. En wachtte op de slag van middernacht...
Was gevangene van Mijne Heren van de Gerechte, gearresteerd door een dronken ronkende onderschout. Zij lachtte hard en schril om deze waanzin, haar eerbied voor de Wet...
„Is daar iemand?”
„Ja.”„Wie?”
„Je doodsvijandin.”
„Dat kan alleen Anna Swaerdemaeckers zijn.”
„Wat wil je? Pieter Ravesteyn?”
„Ik heb het benauwd... roep een barbier. Vlug.”
Anna rees op van de schemel, kwam naar hem toe en keek op hem neer.
„Je hebt teveel gedronken... het zakt wel.”
Hij kreunde wat, wentelde zich op de rug, probeerde met onhandige gebaren de bovenste knopen van zijn lederen kolder los te maken. „Waarom roep je... je... geen barbier?” steunde hij, „ik heb ‘t benauwd... hij moet me aderlaten.”
Zij tikte hem op de schouder en hij keek haar lodderig aan. Ze zei, terwijl haar ogen eigenaardig vonkten in de schemer:
„Weet je nog? toen we jong waren? je troonde me mee naar de Dam. Daar werd een man gewurgd door de beul... die man gilde en
298