toen haar blik naar de opkamer. Kaarsen in de kronen flakkerden, vele waren reeds gedoofd, sommige stierven terwijl ze keek. Ook de opkamer leek zo luguber. Vreemd, dacht zij, vreemd, zulke indrukken had zij nog nooit in de herberg ondergaan... vreemd en beangstigend. Zij daalde de laatste treden af. Bij het trapgat naar de keuken luisterde zij. Hoorde niets. De meiden waren doodmoe onmiddellijk gaan slapen. Behoedzaam daalde zij de keukentrap af. Er brandde een klein olielampje, zodat zij zien kön dat alles was opgeruimd. Zij hoorde de keukenmeid snurken in haar bedstee. In de andere lagen twee werkmeiden, puffend in hun diepe slaap. In de bijkeuken de jonge keukenhulpen op strozakken, haar ademhaling ging langzaam en diep en gezond. Voorzichtig liep Anna rond, controleerde of het vuur goed was afgedekt. Alles was volgens haar bevelen in orde. Er heerste tucht in 'De Lenteblom’, dacht zij grimmig en bevredigd. Zij bleef staan voor de trap, bespeurde de benauwde hitte en de etenslucht van de keuken. Een paar minuten bleef zij roerloos luisteren naar de slaapgeluiden. Zag zichzelf opeens weer liggen op het stro in de bijkeuken, in de bedstee naast de schouw. In de tijd van Wybrechje de Graef. En mompelde verbeten:
„Geen geslaap meer in de keuken.” Zij zuchtte en besteeg de trap.
In de herberg ontstak zij een grote kaars, ging ermee naar de opkamer om te zien hoe het met Pieter Ravesteyn gesteld was. Zij plaatste de kaars midden op tafel, tussen de scherven en het vermorste voedsel. Toen nam zij plaats op het schemeltje naast de credens in de hoek. Zij keek rond. Op de credens stond een keur van schotels. Ham, gesneden braadvlees, gebraden konijnen en een reerug. Dat alles hadden die mannen niet meer kunnen verzwelgen. Op een bijzettafeltje kannen wijn, karaffen met likeur, twee halve kazen en manden fruit. Zonde... maar hij had ervoor betaald. Als hij het goed vond, zou ze het morgen verdelen en laten rondbrengen naar de vrouwtjes, die in de sloppen woonden tussen Nieuwendijk en de Nieuw Zijds. Wat een lot... die vrouwtjes. Kregen wel van Huis-zittenmeesters, maar het bleef karig. En er waren er zoveel onder, die het vroeger toen hun mannen nog leefden zo goed hadden. De Hemel zij geprezen dat zij haar eigen zekerheid voor de oude dag had mogen vormen... hoeveel bezat ze nu? Kinderlijk telde zij op haar vingers af, een paar keer, omdat zij zich vergiste. Zij glimlachte opgelucht, het was voldoende om heel oud te worden zonder Aalmoezeniers of Huiszittenmeesters. Zij zou morgen Reinier Vinck
297