„Waarom?”
Hij haalde de schouders op, antwoordde:
„De stad is in oorlogsstemming. Overal vreemd volk in de kroegen en langs de straat. Er wordt veel gevochten en getierd. De vendels zijn versterkt en meer patrouilles in omloop. Mijne Heren kunnen het alleen niet af en zullen voortdurend contact met de schutters-kapiteins bevolen hebben.”
Anna knikte gelaten, hij groette met zwier. Snel werd de deur achter hem gesloten.
Angstig hoorde Dirckje het bericht.
„Waarom heeft hij dan geen boodschap gezonden?” zei ze ongerust. „Vraag hem dat morgen zelf maar,” antwoordde Anna stuurs, „ik zal nu naar Geesje gaan en zeggen dat ze wachten moet. Als ze er nu uitgaat, trekken ze haar de kleren van het lichaam. De laatste avond aan wal... geen vrouw is veilig, buiten.”
„Zullen we opruimen,” vroeg Dirckje en haar stem trilde.
„Nee. Als hij straks wakker wordt, wil hij de rommel zien. Daarvoor heeft hij betaald. Zet de rest van de maaltijd op de credens, anders denkt hij dat ik hem bestolen heb. En jullie allemaal naar bed, het is genoeg.”
„En u, waardin?” vroeg Dirckje bezorgd.
„Ik blijf op. Hij krijgt het volle pond, als hij straks 'De Lenteblom’ uitwaggelt. Dank u voor de klandizie, mijnheer de onderschout, ik hoop dat alles naar uw genoegen was, mijnheer de onderschout en dat u volgend jaar weer terugkomt, mijnheer de onderschout, en dat u 'De Lenteblom’ minzaam wilt aanbevelen, mijnheer de onderschout... het was bijzonder prettig u te mogen bedienen... bah, wat een beroep!”
Zij keek de opkamer rond. Op haar gezicht lag een trek van afkeer. En toen zij de ronkende onderschout zag keerde zij bruusk het hoofd om. Dirckje liet zij voorgaan op de wenteltrap. En zij trad binnen bij Geesje.
Toen zij de trap weer afdaalde brandde er nog één kaars eenzaam op de grote middentafel. Zijn licht wierp zware schaduwen tussen de meubels, een enkel vonkje op het koper, geheimzinnige donkerte tussen de vaatjes in de rekken. De matte lichtcirkel op het tafelblad verscherpte de vreemde sfeer. Geboeid bleef Anna kijken. Wendde
296