vol met witte Bordeaux en in een oogwenk was het glaswerk mat van het vet.
Arend Coster, een hoofdklerk van het raadhuis, boerde luid, gelach daverde op. Hij riep naar Adriaen Post, een onderkoopman van de Compagnie:
„Smaakt het je niet, Adriaen? Twee mootjes maar? Dat is voor een zieke kip.”
„Toch wel, toch wel, m’n waarde, maar de dokter raadde me aan wat bescheidener te doen. Ik ben toch al veel te zwaar.”
„En jij, Govert Stevin?” riep hij weer, „ook al bezwaren? Je ziet eruit als een fokkemast. Eet, kerel!”
„Ik wacht op het vlees. Ik ben niet zo op vis.”
„Hoort hem, mannen. Hij verwacht het vlees. Pas op, meiden!”
Met een daverende klap sloeg hij op tafel, zo’n plezier had hij in z’n vondst.
Weer werden de borden verwisseld. Het grote lendestuk op één schotel werd voor de onderschout neergezet. Dirkje reikte hem het grote vleesmes. Hij stond op, al een beetje onvast ter been. Hij zwaaide even met het mes door de lucht, sneed toen machtige ongelijke plakken, prikte ze aan de punt en legde ze onhandig op de borden, die de gasten hem rumoerig en pret makend voorhielden. Zijn eigen plak viel op de grond, hij schopte hem nijdig weg en nam de schaal met de hele rest voor zich. Zij lachten daverend en scholden hem voor Holle Bolle Gijs, kauwden daarna met overvolle monden. Hun kinnen waren vet en zij morsten overvloedig jus op hun wambuizen.
Anna ging rond met de rode Bordeaux die zij in grote roemers schonk. Zij moest zich wat voorover buigen om het glas van Wiebe de Rooy vol te schenken. Zijn troebele ogen volgden de lijnen van haar soepele lichaam. Hij leunde wat achterover en legde vrijpostig zijn hand op haar billen. Zij slingerde z'n arm weg en deed alsof zij geen acht meer op hem sloeg.
„Waardin... als... als... ikk... ik niet getrouwd was... ah, ik... ik... wi...wist het wel. Zou... jje... me willen?” hikte hij.
„Reder... u niet en niemand,” antwoordde zij beheerst.
„Daarop moeten we drinken, drinken en drinken,” zong er een.
Zij stonden allen moeizaam op, een stoel viel.
„Op de kuise Anna! Op alle kuise Anna’s.”
„We delven zo ons eigen graf!! Mannen, let op uw zaak!!”
291