Met een vervaarlijke ongeduldige klap op tafel trachtte hij z’n gekwetste gevoel van eigenwaarde te herstellen, commandeerde: „Brandewijn... Franse!”
Weer gejaagd en onderdanig schonk Dirckje in, Anna bekeek hem koel en tergend van een afstand en Marrigje bracht hem het glas. „U sit op de plaos fen ’t laak... fen Aasbrendt de Graof, meheir de onderschaawt,” zei ze zenuwachtig vriendelijk om maar iets te zeggen. Alsof hij in zijn billen geprikt werd, zo sprong hij op en keek onwillekeurig achter zich. De vrouwen schrokken ervan... en op hetzelfde moment werd de deur geopend. De vrienden traden binnen, plechtig en ceremonieel. Tien man.
Vaardig en vlug namen Anna en haar meiden de hoeden en mantels in ontvangst. De gasten zetten zich rond de grote middentafel, Pieter Ravesteyn aan het hoofd. Dirckje Swaen ging rond, reikte iedere gast een kort Gouds pijpje. Marrigje Mathyssen plaatste twee Delftsblauwe tabakspotten op tafel. Omstandig stopten de mannen hun pijpen en toen ging Marrigje rond met een testje, waarin een gloeiend kooltje. De eerste rookwolken stegen op, er werd gelachen.
Anna stond achter de toog. Gespannen kijkend. Nu wenkte de onderschout. Snel schonk zij glazen vol brandewijn, die Dirckje en Marrigje rondbrachten. Pieter Ravestyn hief zijn glas, zijn gasten volgden zijn voorbeeld.
„Op onze vriendschap,” riep hij.
Ze dronken in één teug. Nu ging Anna rond met een zilveren kan en schonk de glazen weer vol.
„Op uw behouden thuisvaart, Pieter Ravesteyn,” riep Wiebe de Rooy, een reder. Weer dronken zij in één teug, weer ging Anna rond en schonk in.
Het gesprek leefde op. Nieuwtjes vlogen over en weer, soms staken zij de hoofden bij elkaar om een gefluisterd gewaagd verhaal beter te horen, en richtten zich dan weer daverend lachend op. Dan leek het gezelschap op een griezelige openspringende bloem.
Een uur ging voorbij, zesmaal was Anna Swaerdemaeckers rond gegaan met brandewijn en jenever. Pieter Ravesteyn was al wat rood aangelopen. Gebiedend tikte hij met zijn vingers op de tafel en er viel een stilte.
„Mijne heren, ik stel u thans voor om een stukje te gaan eten. Anna Swaerdemaeckers, de onvolprezen waardin van 'De Lenteblom’, de beste drooggasterij van Amsterdam, verwacht dat alles verslonden
289