De Soete Bazinne

Titel
De Soete Bazinne

Jaar
1960

Pagina's
314



ergernis had hij toegekeken hoe ze ’t geld tweemaal telde, bulderde: „Vertrouwde je het niet, waardin?”

„Nee. Van een gek kan men alles verwachten.”

Hij sprong op, de hand op zijn rapier, zodat het opwipte.

„Wijf... voor je staat een onderschout van Amsterdam!”

„Ja... en ook parmantig treiteraartje Pietertje Ravesteyn, het kost-kind van Aalmoezeniers... ’t jongetje, dat altijd vechten wou, dat kleine jongetjes en meisjes schopte en zijn snotneusje aan zijn mouw afveegde.”

„Anna... ben je dol geworden!”

„Ja... van angst voor dat rotjongetje Pietertje Ravesteyn, wiens gescheurde wambuisje ik stiekem heb genaaid, die altijd kwam vragen aan Annetje of hij er geweldig genoeg uitzag. Dat honger!ijdertje Pietertje voor wie Annetje een snee brood of een homp kaas uit de keuken stal en daarvoor slaag kreeg, maar dat wist dat snoevertje niet.”

Sprakeloos staarde hij haar aan. Verward nam hij zijn bepluimde hoed af en legde die op tafel. Streek aarzelend over zijn kolder en zijn blauwe sjerp alsof hij zich opeens belachelijk voelde in zijn mooie kleren.

„Anna...!”

„Niets te Annaën. Hier voor je staat de waardin van 'De Lenteblom’, die jou haat als de pest. Die je vanavond zal bedienen, waarvoor je hebt betaald. En die daarna met je zal vechten op leven en dood.”

Zij had haar handen in de zij gezet, haar groene ogen vonkten eigenaardig in haar verwrongen gezicht. En Pieter Ravesteyn vond haar nu lelijk.

„Op leven en dood?” smaalde hij opeens en zijn houding terugvindend, „die liggen in mijn handen, waardin.”

„Ja, ja. Straks alleen de dood,” hoonde zij, „straks... dat gebraden kippetje en dat gesmoorde speenvarkentje. Het leven vinden we morgenochtend wel weer bij de Schout.”

Zie liep naar het trapgat, klapte in haar handen en riep:

„Kom op, meiden. Het gesprekje met mijnheer de onderschout is geëindigd.”

De meiden stommelden naar boven, fris en feestelijk. Stelden zich op hun vaste plaatsen in de herberg op. Pieter Ravesteyn was opgestaan, stapte woedend door 'De Lenteblom’. Zijn sporen rinkelden. Hij nam plaats in de hoek waar Ysbrandt de Graef altijd gezeten had. Zo kon hij naar buiten kijken en zijn vrienden zien aankomen.

288

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.