„Goeie afut, meheir de onderschaawt.”
Hij glimlachte en nog steeds breed en machtig met zware dreunende stap, zodat zijn sporen rinkelden, schreed hij naar de hoofdtafel, zwaaide zijn been over de bank en nam schrijlings plaats in het midden
De drie vrouwen volgden hem met de ogen. Marrigje schichtig, Dirckje wat benauwd kijkend, Anna Swaerdemaeckers vanuit de hoogte, een vleug van spot om de mond.
Pias, parmantige haan! Komt daar binnen als een schatrijke officier. Met een grijze bepluimde vilthoed, met een rood-leren kolder en daarover een gele bandelier, een nieuwerwetse groene broek met wijde pijpen, af gezet met goudgalon, met lichtbruine zevenmijlslaarzen en kanten canons en sporen! Terwijl hij nooit paardrijdt. En een saffraankleurig hemd... en een rapier! En paardenbruine ruiterhand-schoenen. Maar het meest lachwekkend was de nachtblauwe sjerp rond zijn borst, met een grote strik op zijn rug toegeknoopt.
Anna beet zich op de lip... kijk, hij heeft zijn snor gepunt en zijn haren zijn langer dan anders... en gekruld. Die sobere Pieter is helemaal omgebouwd onder de handen van die del Jannegie Pietersdochter.
Weer had Anna aanvechting om haar mond te spoelen met brandewijn, maar haar voornemen van deze morgen was vast en zij voelde opeens haar calvinistische onomkoopbaarheid en was tevreden met haar strenge zwart en wit.
„Rode Oporto,” beval hij.
Snel schonk Dirckje in. Haastig bracht Marrigje het glas. Hij hief het op, draaide het tegen het licht en voordat hij het glas aan de mond zette zei hij:
„Op uw welzijn, Anna Swaerdemaeckers.”
Hij ledigde het in één teug en zij bewoog niet, knikte zelfs niet om te danken. Achteloos hield hij zijn hand met het lege glas omhoog. Dirckje Swaen schoot reeds toe om het opnieuw te vullen uit een zilveren kan. Weer dronk hij ad fundum, keek eigenaardig naar de waardin en zei:
„Mijn vrienden komen tegen zessen. Ik heb dus alle tijd voor een woord met u, waardin. Onder vier ogen.” En hij trommelde met zijn zware vingers op tafel.
Anna Swaerdemaeckers gaf een wenk. Stilletjes daalden Dirckje en Marrigje de trap naar de keuken af.
286