Snel verliet Anna de kamer. En Geesje staarde naar de gesloten deur. Met een wurgende pijn in haar keel omdat een harde vrouw niet meer bleek te zijn dan een hunkerend mensenkind.
Driemaal viel de klopper op de buitendeur. Met tergende tussenpozen. Geschrokken drukte Marrigje Mathyssen zich in een hoek, Dirckje Swaen had bij de eerste slag een glas uit haar handen laten vallen en veegde jachtig de scherven bijeen, ondertussen schichtig kijkend naar de waardin. Maar Anna Swaerdemaeckers, gezeten op de punt van de lange bank bij de middentafel, bleef onbewogen. Ze keek naar de grote slingerklok, die al begon te ratelen om vijf uur te slaan. Helder klonk de zilveren bel. Toen rees Anna op, wenkte. En Marrigje haastte zich naar de deur, schoof zenuwachtig de grendel opzij en opende met een zwaai boven- en onderdeur. Ze drukte zich verward tegen de muur en durfde niet op te kijken naar Pieter Ravesteyn.
Hij bleef machtig en breed op de drempel staan, monsterde langzaam de drie vrouwen. Bij de tafel stond Anna. In zwarte rok en jak, de ponjetten en de kraag fel wit, de muts strak om de zwarte haren. Om de taille een brede zwart-lederen ceintuur met zilveren gesp, de koordjes van muts en kraag lang en vrijhangend met onderaan een klein blank bolletje. Zij droeg zwarte kousen en zwarte muilen met rode hoge hakken. Slank, dat was de indruk die zij maakte op Pieter Ravesteyn... en de waardin droeg vandaag beslist geen vier onderrokken.
Dirckje Swaen was niet zo ouderwets streng gekleed als de waardin. Ze droeg een keurslijf, waarbij het witte hemd uitbundig opbolde. Haar rok was van voren opgenomen, zodat haar helrode onderrok scherp afstak tegen het zwart. Daarbij een zwart puntig mutsje op haar brunette weelde en platte zwarte sloffen. Dat alles maakte haar kort, verscherpte haar molligheid en moederlijke verschijning. En van Marrigje Mathyssen zag hij slechts de jeugd en haar gespreide hand op het keurs en haar diep blozend gebogen hoofd.
Hij deed een stap in de herberg, keek naar de klok. Omstandig haalde hij zijn Neurenberger horloge te voorschijn en vergeleek de tijd. Twee minuten over vijven, geen seconde eerder ondanks zijn kloppen had Anna Swaerdemaeckers geopend, dacht hij grimmig, „’n Avond,” gromde hij en stapte verder.
„’n Avond, Pieter Ravesteyn.”
285