„Meid, wat doe je nou,” riep Anna onthutst.
„Weit ik niet... ik mis opeins me moeder.”
En Marrigje keerde het hoofd om en likte een traan weg, die naar haar mondhoek was gedropen. Anna besteeg langzaam het trapje naar de opkamer. Nog eenmaal controleerde zij daar alles. In gedachten bleef ze even voor de tafel staan, pakte toen een paar prachtige pruimen en verliet de opkamer.
Ze ging binnen bij Geesje, die nog steeds breide. Het hoofd hield ze gebogen en toen zij opkeek, zag Anna haar wangen hoogrood.
„’t Is in orde,” zei Anna. Geesje knikte, antwoordde:
„Dirckje heeft me de kleren gebracht. Alles is te groot.”
„Als je er maar mee geholpen bent.”
Geesje knikte weer, breide voort. Anna kwam voor haar staan, bood haar met vlakke hand de pruimen aan. Dankbaar verrast keek Geesje op.
„Bent u niet meer boos, waardin?”
„Waarom zou ik,” antwoordde Anna dof en liep weer naar het venster. Altijd als zij haar kamer binnenkwam moest zij het water en de schepen zien.
„Om wat ik gedaan heb” en Geesje tuurde naar de grond, de pruimen krampachtig in haar handen.
„Ik ben niet meer boos. Ik kan het maar niet begrijpen.” „Waardin, wanneer je van een man houdt?"
„Weet je zeker dat je nog van Jan Seghers houdt, Geesje? Nu nog, van een zwakzinnige kreupele?”
„Misschien... misschien niet meer zoals toen hij uitvoer,” fluisterde Geesje gejaagd.
„Hoe dan nu?”
„Ik... weet het niet.”
„Is het nu soms meelij ?”
„Misschien, waardin. Maar waar eindigt liefde en begint meelij? Is dat van belang, waardin? Ik heb me voor hem vergooid, een groter offer kan een vrouw niet brengen... uit liefde of uit meelij.”
Bruusk draaide Anna zich om. Zag Geesje weer diep gebogen over haar breiwerk. Haar schouders schokten. Lang keek zij naar deze jonge vrouw, wier leven geen lichtpunt meer bood. Voor wie nog slechts plicht en zorg zouden overblijven.
„Geesje... ondanks alles... iets is je bespaard gebleven. Eénzaamheid... en een leven zonder doel.”
284