Ze ging weer zitten in het hoekje bij het venster. Op de plaats waar Ysbrandt de Graef altijd gezeten had. En tuurde naar buiten waar nog steeds volk voorbij trok. Ze zag vrouwen terugkomen van de Schreierstoren. Ze liepen in groepjes en huilden nog, wisten steeds hun tranen weg met hun schorten. Dwaze wijven! Waarom grienen? Om die kerels? Die vonden het heus niet zo erg, dat zij weer ten oorlog trokken. Die voelden zich weer eens onder elkaar, vrij, ruw, met soms een boel plezier. Die vonden het wel prettig weer op het water te zijn en wat te beleven. Weg uit die kleine kamertjes, weg van die jengelende kinderen, weg van de koolluchtjes en een kribbige vrouw, die hen op hun kop zat. Huil niet, wijven, in jullie hart vinden jullie het wel goed, dat hij een tijdje opgedonderd is. Houden jullie zoveel van die hangsnor, van die waterige oogjes als hij bezopen is? Van dat boeren als hij te veel gegeten heeft? Van dat zweetlijf tegen je aan, wanneer hij je opeist omdat je zijn vrouw bent... zijn vrouw onder dreigende bepalingen, die ze eeuwenlang in hun vroedschappen hebben uitgebroed? Niet grienen, wijven, je kan ook leven zonder kerel!
Ze voelde dat er naar haar gekeken werd. Met een ruk keerde zij haar gezicht om. Halverwege in het trapgat naar de keuken stond Marrigje Mathyssen. Onbeweeglijk. Anna Swaerdemaeckers wenkte ongeduldig en riep:
„Wat sta je daar!?”
„Ik waaw nie store, waordin,” antwoordde Marrigje, kwam verder de trap op en stond in de herberg.
„Wat wil je?”
„Mot u me naokaake?” vroeg ze onderdanig.
Anna beet zich even op de lip om een lach te onderdrukken. Vreemd, met dat ene dwaze zinnetje had die meid al dat broeierig opstandige uit haar hoofd gejaagd.
„Kom maar hier,” zei Anna en rees op.
Marrigje kwam langzaam naderbij. Haar witgelakte sloffen liet zij klikken, haar rokken wat deinen, haar schouders hield ze wat teruggetrokken, zodat haar borstjes ferm vooruit staken in haar zwarte keurslijfje, haar armen halverwege omhoog, de vingers in sierlijke stand. Ze kon het niet nalaten, ze moest uitdagen met haar jonge lichaam.
282