Kerels... bah! Bronstige stieren. Wauwelende snoevers. Allemaal? Nee, niet allemaal. Reinier Vinck, oud en rustig en betrouwbaar. De Schout? Een regent... Eliazer Pluym dan... nee, vrolijk, een kletser, maar een groot koopman. Simon de Bye?... Ja, een praalhans, maar nu niet meer. Nu sober in het zwart, stil, getemd door zijn verliezen, maar toch een stiekemerd. Philippe... och, Philippe, een vrouwenjager met allure... nooit grof, elegante kerel, die zich opeens had laten betoveren door een mollig ingoed meisje... ver beneden zijn stand. Maar ze zou lief zijn, die Dirckje... lief, lief, zacht en moederlijk. En gedienstig. Ze zou door haar huis rennen, al maar gedienstig voor haar prachtige Philippe.
Anna Swaerdemaeckers sloeg de handen ineen door een plotselinge drift. Dirckje moest die vent zo nu en dan iets naar zijn kop gooien. Ze keerde zich om, verliet de opkamer. Alles was hier in orde. Ze daalde het trapje af, liep weer langzaam door de herberg. Met een vinger veegde zij hier en daar over de rand van de eiken lambrizering, over een vaatje in het rek, tussen de ronde spijlen van het tooghekje. Geen stofje, de meiden waren goed gedrild. Haar kasboek sloeg ze dicht, wreef met de vlakke hand over de kaft. Ze zag een vlekje op een lekbakje, overdreven hard wreef ze het weg met de linnen vaatdoek. Rusteloos en rusteloos drentelde ze rond en het woelde maar in haar hoofd.
De onderschout kon komen met zijn vrienden, ze zou het schitterend af leveren. 'De Lenteblom’ was de beste drooggasterij van Amsterdam geworden onder haar leiding! De beste, met voorname en rijke klanten. Al die dubieuze figuren uit Ysbrandts tijd kwamen niet meer, de gezelligheid had daardoor wel iets geleden. Ysbrandt... dood! Gerrit Hendricksz... dood! Jannegie Pietersdochter... zoek! Over een paar maanden Dirckje weg als joffer De Haen, Pieter Ravesteyn... al was hij dan in maanden niet meer geweest en al waren zij vijanden, morgen ook weg naar de vloot. En boven Geesje van Jisp, de vrolijke trotse meid van vroeger, die met de anderen de herberg van leven had doen tintelen... ook Geesje weg, vannacht over de muur, achtervolgd als zoet bazinnetje. Zoete bazinne, daar achter joegen die kerels met hun schijnheilige gezichten. Achter Geesje van Jisp, die hoereerde om geld voor een rustig geborgen leven voor een oorlogsinvalide. En dat noemden ze ontucht, daarvoor wilden zij haar laten geselen op de Dam. Geselen... en dan staan ze te loeren naar die prachtige rug, die tot bloedige pap wordt
281