zoetjes aan werd het tijd om alles voor de avond in gereedheid te brengen. Daarom moest Dirckje nü naar Philippe de Haen gaan. Anna zond de werkmeid terug naar de keuken en zei op gedempte toon tegen Dirckje:
„Vannacht wilde ik niet, dat je Philippe de Haen erin betrok. Ik heb me bedacht. Vraag of hij manskleren wil brengen en haar vanavond over de muur helpt.”
Dirckje werd opeens wat gejaagd, haar ogen begonnen te schitteren. Anna bemerkte het en een verlangen om iets venijnigs te zeggen overviel haar heftig.
„Vergeet je tijd niet. Over een uur moet je terug zijn... ik hoop, dat je je los zult kunnen scheuren uit jullie gezwijmel.” „Waardin!”
„Ga nu,” beval Anna ongeduldig, liep naar de keukentrap en riep dat de werkmeid weer boven moest komen en ook Marrigje Mathys-sen als zij beneden niet meer nodig was. Toen zij zich weer omdraaide, kwam een man de herberg in. Hij nam zijn versleten ouderwetse hoed voor haar af en bleef onderdanig wachten tot zij hem zou aanspreken.
„En, Wiebe ’t Hoen?” vroeg ze kortaf.
„Kan ik de plaats innemen van Gerrit Hendricksz?” vroeg de dagloner bedeesd.
„Misschien komt hij nog, Wiebe. Forse zuipers zijn meestal gauw weer nuchter.”
„Waardin... hij komt niet meer. Hij is er in gebleven.”
Anna Swaerdemaeckers greep zich een moment vast aan de toog, want ze duizelde even. Niets dan ellende sinds vannacht.
„Wat zeg je... Wiebe? Er in gebleven? Is... is hij dood?”
„Ja, waardin.”
„Here mijn God,” stamelde zij, en zeeg neer op de bank.
„Kan ik zijn werk overnemen, waardin?” vroeg Wiebe ’t Hoen weer na een tijdje.
„Ja...”
„Waarmee zal ik beginnen, waardin?”
„De grote tafel in de opkamer... uitschuiven. Kaarsen in de kronen, en dan wachten.”
Anna Swaerdemaeckers stond wat moeizaam op en zij zuchtte diep. Weer had ze de aanvechting om te drinken, maar met een woest gebaar smeed ze een glas stuk tegen de plavuizen. Verwonderd keek
279